Rechtspraak Raad van State 2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1522
202305999/1/R3. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], gevestigd in [plaats], appellante, en de raad van de gemeente Coevorden, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "De Nieuwe Veste" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 december 2025, waar de raad, vertegenwoordigd door M.A. Wijnands-Veninga, vergezeld door [persoon], is verschenen. [appellante], vertegenwoordigd door mr. I.M.C. van Leeuwen, advocaat in Arnhem, en [appellante], is digitaal verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 17 maart 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Toetsingskader 2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Inleiding 3. Het plan voorziet in de nieuwbouw en verplaatsing van de middelbare school De Nieuwe Veste naar het bedrijventerrein Holwert-Midden in Coevorden. Een deel van dat bedrijventerrein valt binnen het plangebied. Om de ontwikkeling mogelijk te maken worden de planologisch toegestane milieucategorieën van een deel van de omliggende bedrijfspercelen afgewaardeerd. Verder zullen voor de bouw van de middelbare school de bedrijfsgebouwen aan de [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] in Coevorden gesloopt worden. Die gronden hadden in het vorige plan de bestemming "Bedrijventerrein". In het plan dat nu voorligt is aan deze gronden hoofdzakelijk de bestemming "Maatschappelijk" toegekend. 4. [appellante] heeft een bedrijfsgebouw aan de [locatie 2]. Dit gebouw wordt voor een deel verhuurd en voor een deel gebruikt door [appellante] zelf. [appellante] is voornemens het pand te gaan gebruiken voor de opslag van levensmiddelen, waarvoor het pand is ingericht. [appellante] kan zich niet met het plan verenigen. Beroepsgronden Mag de school worden verplaatst? 5. [appellante] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), omdat volgens haar geen sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In dat verband voert zij aan dat niet is onderkend dat de huidige locatie van De Nieuwe Veste aan de Van Heeckerenlaan als gevolg van de verhuizing onnodig leeg komt te staan. Op de zitting heeft [appellante] hierover toegelicht dat volgens haar de school ook op de huidige locatie had kunnen worden ingepast, zodat verhuizing niet nodig is en [appellante] haar pand kan behouden. 5.1. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het