Rechtspraak Raad van State 2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1517
202301162/1/R2. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: Stichting BETER EINDHOVEN (SBE), gevestigd in Eindhoven, appellante, en 1. de raad van de gemeente Eindhoven, 2. het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 20 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Stationsplein Zuid (ondergrondse fietsenstalling)" gewijzigd vastgesteld. Bij besluit van 16 januari 2023 heeft het college aan Prorail een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een ondergrondse fietsenstalling onder het station Eindhoven Centraal. Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Tegen deze besluiten heeft SBE beroep ingesteld. Het college en de raad hebben een verweerschrift ingediend. Het college heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 januari 2026, waar SBE, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], en de raad, vertegenwoordigd door drs. B. van der Padt, I. de Schrijver en drs. R. de Mug, zijn verschenen. Verder is op de zitting Prorail, vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en [gemachtigde C], gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het ontwerpplan is op 23 juni 2022 ter inzage gelegd. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 december 2022. Dat betekent dat op deze procedure het recht, waaronder de Wro, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het plan en de omgevingsvergunning maken een ondergrondse stalling voor ongeveer 5.400 fietsen aan de centrumzijde van het station Eindhoven Centraal mogelijk. De fietsenstalling wordt aangesloten op de bestaande fietsenstalling onder de stationshal. Aan de noordzijde kunnen gebruikers vanuit de stationshal de ondergrondse fietsenstalling te voet bereiken. Aan de zuidzijde wordt een nieuwe entree naar de fietsenstalling gerealiseerd in de vorm van een fietshelling/fietstrap met een lengte van ongeveer 28 m, waarvan ongeveer 18 m bovengronds. Voor de herinrichting van het bovengrondse openbaar gebied is een herinrichtingsplan opgesteld. Het herinrichtingsplan maakt geen deel uit van het bestemmingsplan. 3. De beroepsgronden van SBE richten zich alleen tegen het besluit van 20 december 2022. Toetsingskader 4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Ontvankelijkheid SBE 5. De raad stelt zic Verder voert SBE aan dat in het archeologisch rapport een historische chronologie ontbreekt, waardoor er onlogische keuzes zijn gemaakt, met name voor wat betreft de bovengrondse terugkeer van waterstroom de Gender. 7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de feiten in het archeologisch rapport op juiste wijze zijn weergegeven en dat SBE niet heeft gemotiveerd waarom een historische chronologie had moeten worden toegevoegd. Verder is de historische ligging van de Gender niet relevant voor de ondergrondse fietsenstalling. Binnen de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" zijn water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegelaten en binnen de regels van deze bestemming is het mogelijk om de Gender bovengronds te realiseren, aldus de raad. 7.2. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat het archeologisch rapport het definitieve rapport is, ook al wordt daarin van concept gesproken. Op de zitting heeft SBE haar beroepsgrond toegelicht en gesteld dat in het archeologisch rapport vanuit historisch perspectief een andere keuze voor wat betreft de bovengrondse terugkeer van de Gender had moeten worden gemaakt. Wat hier verder van zij, dat maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat de raad het archeologisch rapport niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog slaagt niet. Stikstofdepositie 8. SBE betoogt dat de raad niet heeft aangetoond dat het bestemmingsplan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Volgens SBE zijn de geactualiseerde modellen van de AERIUS-Calculator ten onrechte niet toegepast. 8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de als bijlage 10 bij de plantoelichting behorende AERIUS-berekening van 15 februari 2021 aan het plan ten grondslag mocht worden gelegd, omdat gebruik is gemaakt van de versie van AERIUS-Calculator die nog geldend was ten tijde van de vaststelling van het plan. 8.2. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. 8.3. Niet is geschil is dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "De Plaetse en Strabrechtse Heide" zich op een afstand van 4,7 km van het plangebied bevindt. De statutaire doelstelling van SBE is niet gericht op de bescherming van natuurbelangen als zodanig. SBE komt ook niet op voor de collectieve belangen van bewoners van een bepaald gebied bij een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving waarvan het betreffende Natura 2000-gebied deel uitmaakt. Ook kwalificeert SBE niet als een milieuorganisatie, omdat haar doel is gericht op de ontwikkeling van Eindhoven in stedenbouwkundige zin. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste aan een vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat. De Afdeling behandelt deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk. Externe veiligheid 9. SBE betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Volgens SBE heeft de raad zich niet kunnen baseren op het advies van de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost van 26 april 2022. De fietsenstalling heeft een dusdanige grootte dat de maximale lengte van de looplijnen, om naar een (nood)uitgang te komen, wordt overschreden. Ook is het knelpunt van een eventuele elektrabrand niet in kaa