Rechtspraak
Raad van State
2026-03-20
ECLI:NL:RVS:2026:1509
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
768 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1509 text/xml public 2026-03-25T10:33:17 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-20 BRS.26.000420 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1509 text/html public 2026-03-17T16:50:56 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1509 Raad van State , 20-03-2026 / BRS.26.000420 Bij besluit van 22 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. BRS.26.000420 ECLI:NL:RVS:2026:1509 Datum uitspraak: 20 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 december 2025 in zaak nr. 25/1775 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 22 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Bij besluit van 13 januari 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Appellant is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten. Overwegingen 1. De griffier heeft appellant er in een brief op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Haar is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 5 februari 2026 te voldoen. Omdat appellant dit niet heeft gedaan, heeft de griffier haar bij aangetekende brief van 12 februari 2026 laten weten dat het griffierecht op uiterlijk 26 februari 2026 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Appellant heeft, nadat de griffier haar daartoe bij brief van 2 maart 2026 in de gelegenheid heeft gesteld, geen redenen aangevoerd waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Lodeweges griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026 625