Rechtspraak
Raad van State
2026-03-19
ECLI:NL:RVS:2026:1495
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
657 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1495 text/xml public 2026-03-25T10:33:16 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-19 BRS.25.002012 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1495 text/html public 2026-03-17T10:52:51 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1495 Raad van State , 19-03-2026 / BRS.25.002012 Bij besluit van 18 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. BRS.25.002012 ECLI:NL:RVS:2026:1495 Datum uitspraak: 19 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 november 2025 in zaak nr. NL25.46494 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 18 september 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 12 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G.J. Dijkman, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop de gemachtigde van appellant heeft gereageerd. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 7.2 tot en met 7.4 van de uitspraak van de rechtbank over. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier. w.g. Essenburg lid van de enkelvoudige kamer w.g. Schuurman griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026 282-1034