Rechtspraak
Raad van State
2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1487
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
581 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1487 text/xml public 2026-03-25T10:33:20 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-18 BRS.26.000889 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1487 text/html public 2026-03-16T16:12:35 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1487 Raad van State , 18-03-2026 / BRS.26.000889 Bij brief van 11 maart 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie aan appellant meegedeeld dat aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend met ingang van 1 februari 2024. BRS.26.000889 ECLI:NL:RVS:2026:1487 Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 januari 2026 in zaak nr. NL24.34736 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij brief van 11 maart 2024 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend met ingang van 1 februari 2024. Bij besluit van 8 augustus 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.S. Yap, advocaat in Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026 644