Rechtspraak Raad van State 2026-03-16
ECLI:NL:RVS:2026:1467
202600559/2/A3. Datum uitspraak: 16 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb), hangende het hoger beroep van: de korpschef van politie, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 januari 2026 in zaak nr. 23/1478 in het geding tussen: de korpschef en [wederpartij], wonend in [woonplaats]. Procesverloop Bij besluit van 26 januari 2023 heeft de politiechef van de landelijke eenheid namens de korpschef het verzoek van [wederpartij] om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens, afgewezen. Bij besluit van 24 april 2023 heeft de korpschef het verzoek alsnog gedeeltelijk toegewezen en het besluit van 26 januari 2023 ingetrokken. Op 6 juni 2024 heeft de korpschef een aanvullend besluit genomen. Bij uitspraak van 13 januari 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen het besluit van 26 januari 2023 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuw besluit te nemen op het verzoek van [wederpartij]. Tegen deze uitspraak heeft de korpschef hoger beroep ingesteld. Tevens heeft de korpschef de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2026, waar de korpschef, vertegenwoordigd door P. Pasteuning, is verschenen. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Inleiding 2. [wederpartij] heeft op 12 januari 2023 op grond van artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg) de korpschef verzocht om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens. Hij stelt hinder en beperkingen te ondervinden bij het reizen naar het buitenland: hij wordt regelmatig ondervraagd bij de douane en de toegang tot Dubai en Singapore is hem geweigerd. Hij wil daarom weten welke gegevens over hem zijn verwerkt. De korpschef heeft voor een deel van de gegevens waarover hij beschikt inzage geweigerd. Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft, voor zover relevant voor deze procedure bij de voorzieningenrechter, het volgende geoordeeld. De korpschef heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij de belangen van [wederpartij] heeft afgewogen tegen de belangen van de korpschef bij toepassing van de weigeringsgronden. Daarnaast heeft de korpschef onvoldoende gemotiveerd of informatie over [wederpartij] is gedeeld met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). [wederpartij] heeft in beroep gesteld dat uit informatie van de NCTV volgt dat de korpschef aan de NCTV een e-mail heeft gestuurd waarin zijn persoonsgegevens staan. De korpschef heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat deze e-mail niet bij de toewijzing van het inzageverzoek is betrokken. De korpschef moet daarom een nieuw besluit nemen. De korpschef moet opnieuw onderzoeken of de persoonsgegevens van [wederpartij] met andere instanties of derden zijn gedeeld, aldus de rechtbank. Verzoek om voorlopige voorziening 4. De korpschef heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep geen nieuw besluit hoeft te nemen op het verzoek van [wederpartij]. 5. Gelet op artikel 6:16 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:24, heeft de wetgever ervoor gekozen om geen schorsende werking toe te kennen aan het instellen van hoger beroep. Derhalve geldt ook indien ter zake nog een hogerberoepsprocedure aanhangig is als uitgangspunt dat na vernietiging van een besluit op bezwaar een nieuw besluit wordt genomen. Bovendien is het in het belang van een efficiënte en f