Rechtspraak
Raad van State
2026-03-13
ECLI:NL:RVS:2026:1429
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,875 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1429 text/xml public 2026-03-23T15:36:24 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-13 BRS.26.000615 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1429 text/html public 2026-03-11T14:57:44 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1429 Raad van State , 13-03-2026 / BRS.26.000615 Bij besluit van 22 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld. BRS.26.000615 ECLI:NL:RVS:2026:1429 Datum uitspraak: 13 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026 in zaak nr. NL26.4139 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 22 januari 2026 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 5 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D.P.J. Grommen, advocaat in Roermond, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen Hoger beroep 1. De rechtbank heeft geoordeeld dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat de minister die maatregel onzorgvuldig heeft voorbereid. De rechtbank heeft overwogen dat de vragen die de minister tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft gesteld, geen verband houden met de wettelijke grondslag van de maatregel: artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Deze vragen zijn volgens de rechtbank vooral gericht op de vraag waarom betrokkene niet is teruggekeerd naar zijn land van herkomst nadat de minister voor hem een terugkeerbesluit had genomen, en of betrokkene bereid is om mee te werken aan zijn terugkeer. Omdat betrokkene asiel had aangevraagd, bestond er tijdens het gehoor echter geen verplichting tot terugkeer. Naar het oordeel van de rechtbank komen vragen over de terugkeer pas aan de orde als is beoordeeld en in rechte vaststaat dat aan betrokkene geen internationale bescherming hoeft te worden verleend. 2. De minister klaagt in zijn enige grief terecht over dit oordeel van de rechtbank. Van belang is dat het proces-verbaal van het voorafgaand aan de inbewaringstelling gehouden gehoor er blijk van geeft dat de minister onderkent dat betrokkene een asielaanvraag heeft ingediend. Dat is in deze zaak het geval. De minister heeft in dit proces-verbaal aangekruist dat betrokkene in bewaring zal worden gesteld op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Tijdens het gehoor heeft de minister betrokkene allereerst meegedeeld dat wordt onderkend dat hij opnieuw asiel wil aanvragen. Vervolgens zijn er vragen gesteld over zijn identiteit en is hem gevraagd of hij in het bezit is van identiteitsdocumenten. Dat is van belang voor de vraag of betrokkene op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring kon worden gesteld. 2.1. Voor zover de minister aan betrokkene vragen heeft gesteld over het terugkeerbesluit en de bereidheid van betrokkene om mee te werken aan zijn terugkeer, voert de minister terecht aan dat dit op zichzelf niet maakt dat de maatregel onzorgvuldig is voorbereid. Het gehoor moet in zijn geheel worden beoordeeld. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, mag de minister deze vragen ook stellen wanneer nog niet in rechte vaststaat dat aan betrokkene geen internationale bescherming zal worden verleend. Deze vragen zijn immers van belang om vast te kunnen stellen of er een risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarmee zijn deze vragen relevant voor de vraag of de minister artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 als wettelijke grondslag voor de maatregel van bewaring mag gebruiken. Van een onzorgvuldige voorbereiding van de maatregel van bewaring is dus niet gebleken. 2.2. De grief slaagt. Conclusie hoger beroep 3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. Beroep 4. Betrokkene betoogt dat de ophouding ten onrechte op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 heeft plaatsgevonden, omdat de minister al bekend zou zijn met zijn identiteit. Betrokkene heeft echter geen identiteitsdocumenten overgelegd en hij heeft bij zijn eerdere asielaanvragen in Nederland verschillende aliassen gebruikt. Het argument van betrokkene dat hij is overgenomen van de Duitse autoriteiten en met een laissez-passer naar Nederland is gekomen, maakt niet dat de minister betrokkene op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 had moeten ophouden. Die omstandigheden nemen namelijk niet weg dat er voor de minister onduidelijkheid bestond over de identiteit van betrokkene. Deze beroepsgrond slaagt niet. 5. Betrokkene betoogt verder dat de minister de zware gronden 3a en 3b niet aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. Wat betreft de zware grond 3a, heeft de minister terecht vastgesteld dat deze grond op betrokkene van toepassing is door feitelijk toe te lichten dat betrokkene geen paspoort heeft overgelegd en bij zijn aankomst in Nederland niet beschikte over een reisdocument en dus ook niet over een inreisstempel voor het Schengengebied. Gelet hierop is betrokkene niet op rechtmatige wijze Nederland binnen gereisd. Wat betreft de zware grond 3b, heeft de minister terecht vastgesteld dat deze grond op betrokkene van toepassing is door feitelijk toe te lichten dat betrokkene op 25 juni 2024 en 3 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Betrokkene voert tevergeefs aan dat de minister hem dit niet mag tegenwerpen, omdat hij in mei 2025 al eerder in bewaring heeft verbleven. De minister mag ook eerdere gedragingen van een vreemdeling betrekken in zijn beoordeling of een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. 6. Tot slot betoogt betrokkene dat het terugkeerbesluit ontbreekt in het dossier, waardoor hij niet kan zien dat voor hem een terugkeerbesluit is genomen en voor welk land dat geldt. Een terugkeerbesluit is echter geen voorwaarde voor een bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie beroep 7. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026 in zaak nr. NL26.4139; III. verklaart het beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. Van Breda voorzitter w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026 644-1073