Rechtspraak Raad van State 2026-01-14
ECLI:NL:RVS:2026:142
202302916/1/V1. Datum uitspraak: 14 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 april 2023 in zaken nrs. 22/5385, 22/7131 en 23/2896 in het geding tussen: appellant en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2022 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang voor de periode van 1 tot en met 31 maart 2022 vastgesteld op € 475,95. Bij besluit van 11 augustus 2022 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang voor de periode van 1 tot en met 30 april 2022 vastgesteld op € 475,95. Bij besluit van 18 november 2022 heeft het COa de hoogte van de volledige eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vastgesteld op € 4.866,44. In dit besluit zijn de besluiten van 7 juli 2022 en 11 augustus 2022 verwerkt. Bij uitspraak van 12 april 2023 heeft de rechtbank de tegen die besluiten door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Het COa heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het COa heeft ook een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft deze zaak, gelijktijdig met zaken nrs. 202107338/1/V1, 202203259/1/V1 en 202300124/1/V1, op een zitting behandeld op 28 maart 2025. Appellant, vertegenwoordigd door mr. L.A. Fischer, advocaat in Assen, en bijgestaan door P. Cuijpers, tolk, en het COa, vertegenwoordigd door mr. J.V. de Kort, advocaat in Den Haag, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Het COa biedt opvangvoorzieningen voor asielzoekers en verlangt een eigen bijdrage in de kosten daarvan als zij vermogen en/of inkomen hebben. Zij kunnen bijvoorbeeld vermogen hebben als zij een dwangsom van de IND hebben ontvangen, omdat de asielprocedure te lang heeft geduurd. 1.1. Het COa is op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet COa belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Met de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) en de Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008 (hierna: de Reba 2008) heeft de regelgever invulling gegeven aan die bepaling. Uit artikel 20 van de Rva 2005 volgt dat, als een asielzoeker beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens die volgt uit artikel 34 van de Participatiewet, de asielzoeker een vergoeding in de kosten van de opvang in de vorm van een eigen bijdrage aan het COa is verschuldigd en dat het COa deze vergoeding ook naderhand kan terugvorderen, als blijkt dat de asielzoeker tijdens het verblijf in de opvang over vermogen beschikte. In de artikelen 2 en 3 van de Reba 2008 is bepaald wat de economische waarde is van de feitelijk geboden verstrekkingen die het COa gebruikt voor de berekening van de eigen bijdrage. In artikel 7 van de Reba 2008 is bepaald wat wel en niet onder vermogen wordt verstaan. Zo is in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder e, van de Reba 2008 bepaald dat vergoedingen voor immateriële schade niet als vermogen in aanmerking worden genomen. 1.2. Het COa heeft de werkwijze hoe het een eigen bijdrage berekent en vaststelt verder uitgewerkt in een document ‘Beleidskader Werk en Inkomen’ en een document ‘Werkinstructie uitvoeren Reba bij vermogen’. Deze documenten heeft het COa bij de schriftelijke uiteenzetting overgelegd aan de Afdeling. 1.3. Deze uitspraak gaat over de vraag of het COa op grond van de Rva 2005 en de Reba 2008 voor vreemdelingen een eigen bijdrage mag vaststellen in de kosten van opvang wegens het hebben van vermogen boven de vermogensgrens, als deze vreemdelingen alleen over dit vermogen beschikken, omdat de IND aan hen een dwangsom heeft betaald. De Afdeling is van oordeel dat het COa deze eigen bijdrage ook dan mag vaststellen en legt dat in deze uitspraak uit. 1.4. Het wettelijk 3.1. Uit artikel 5 van de Wet COa volgt dat de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 van toepassing zijn op besluiten in het kader van het onthouden of beëindigen van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COa. Uit artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang met bijlage 1 ‘Regeling rechtstreeks beroep’, volgt dat tegen besluiten genomen op grond van afdeling 3 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000, rechtstreeks beroep openstaat. Het COa heeft op de zitting toegelicht dat het de verstrekkingen niet beëindigt wanneer iemand vermogen heeft boven de vermogensgrens, maar in plaats daarvan een eigen bijdrage in de kosten van de opvang verlangt. Het COa heeft de verstrekkingen van appellant dus niet beëindigd, nadat hij vermogen boven de vermogensgrens had verkregen. De Afdeling is daarom van oordeel dat het vaststellen van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang niet gelijk staat aan het, al dan niet gedeeltelijk, onthouden of beëindigen van de verstrekkingen. Dat betekent dat tegen een besluit over de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage in de kosten van de opvang bezwaar openstaat. De rechtbank had daarom de door appellant ingestelde beroepen niet-ontvankelijk moeten verklaren, het beroepschrift moeten aanmerken als een bezwaarschrift en dat op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb, ter behandeling moeten doorsturen naar het COa. 3.2. Dat de procedurele gang van zaken niet in lijn is met artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb, leidt in dit geval niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:302, onder 3.2, heeft overwogen, kan alleen de indiener van het bezwaarschrift het bestuursorgaan verzoeken om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Dat heeft appellant weliswaar niet gedaan, maar partijen zijn tijdens de zitting bij de Afdeling alsnog akkoord gegaan met het overslaan van de bezwaarprocedure. De Afdeling vindt daarbij ook van belang dat appellant zelf niet heeft geklaagd over het feit dat de bezwaarprocedure is overgeslagen. Dat in aanmerking genomen, en gelet op het belang dat appellant heeft bij het verkrijgen van uitsluitsel over de uitkomst van zijn procedures, welk belang niet is gediend bij een herstart in de bezwaarfase, zal de Afdeling zich inhoudelijk buigen over het hogerberoepschrift. Uitspraak van de rechtbank 4. De rechtbank is van oordeel dat de dwangsom die appellant heeft ontvangen geen immateriële schadevergoeding is. Verder is de rechtbank van oordeel dat het niet onredelijk is dat appellant betaalt voor de kosten van de opvang, omdat hij daar als vergunninghouder gebruik van heeft gemaakt. De aansluiting door het COa bij de interingsnorm van de Participatiewet, met het uitgangspunt dat een vreemdeling zuinig met het verkregen eigen vermogen moet omgaan en niet snel weer op verstrekkingen moet zijn aangewezen, vindt de rechtbank ook niet onredelijk. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verantwoorde uitgaven heeft gedaan met de ontvangen dwangsom, zodat het COa deze uitgaven bij de berekening van de eigen bijdrage terecht niet van het vermogen van appellant heeft afgehaald. Hoger beroep 5. Zijn eerste grief richt appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat het niet onredelijk is dat hij betaalt voor de kosten van de opvang, omdat hij daar als vergunninghouder gebruik van heeft gemaakt. Appellant betoogt dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat hij geen keuze had om eerder uit de opvang uit te stromen. Hij heeft twaalf maanden als vergunninghouder moeten wachten op toewijzing van zelfstandige woonruimte en heeft gedurende die twaalf maanden gebruik moeten maken van de opvang, omdat hij anders geen woning zou krijgen. Het COa heeft volgens hem niet aannemelijk gemaakt dat het te betalen bedrag van de geboden opvangvoorzieningen ov Dat appellant door zijn handelwijze een eigen bijdrage heeft moeten betalen voor de kosten van opvang in maanden waarin hij feitelijk niet meer over een vermogen boven de vermogensgrens beschikte, maakt de besluiten van het COa dan ook niet onrechtmatig. In dit verband wijst de Afdeling er nog op dat uit artikel 20, eerste lid, van de Rva 2005 volgt dat een asielzoeker verplicht is om onverwijld uit eigen beweging, of op verzoek van het COa, mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op verstrekkingen, het geldend maken van het recht op verstrekkingen, de duur van verstrekkingen of de hoogte van de toelagen die aan hem worden betaald. Zoals de Afdeling onder 5.1 heeft overwogen, zijn vergunninghouders die in de opvang verblijven gelijk gesteld met asielzoekers die in de opvang verblijven als het gaat om de geboden opvang. Bovendien heeft het COa, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, appellant geïnformeerd met een rechten- en plichtendocument dat hij moet betalen voor de opvangvoorzieningen, indien hij over voldoende middelen beschikt. Appellant wist op het moment waarop hij de dwangsom ontving dus al dat hij vanaf dat moment daadwerkelijk financieel zou moeten gaan bijdragen aan de kosten van zijn opvang en had zelf het COa daarover moeten informeren. Het betoog dat de vaststelling van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang in het geval van appellant een bestuurlijke sanctie is, waarvoor de in artikel 5:4 van de Awb vereiste wettelijke grondslag ontbreekt, slaagt evenmin. De verplichting om een eigen bijdrage te betalen aan de kosten van opvang komt niet voort uit een gedraging van appellant als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, van de Awb en is dan ook geen bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. De grief slaagt niet. 7. Zijn derde grief richt appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verantwoorde uitgaven heeft gedaan met de ontvangen dwangsom. Appellant betoogt dat de bewijslast niet bij hem, maar bij het COa ligt en wijst daarbij op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5098, onder 4.6. Ook betoogt hij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij vanwege zijn leeftijd niet meer voor studiefinanciering in aanmerking kon komen en daarom de studiekosten die hij heeft gemaakt alleen vanwege de uitbetaalde dwangsom kon betalen. Hij wijst op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP4888, onder 4.3.6. 7.1. Het betoog van appellant slaagt niet. Zoals de Afdeling onder 6.1 van deze uitspraak heeft overwogen, heeft het COa ervoor gekozen om, voor de invulling van de bevoegdheid om van vreemdelingen een eigen bijdrage in de kosten van opvang te vragen, op onderdelen aan te sluiten bij de Participatiewet. Maar het COa is niet verplicht om volledig aan te sluiten bij die wet en de uitvoering van zijn bevoegdheid is ook niet onderworpen aan die wet. Het COa heeft op de zitting toegelicht dat, als een vreemdeling bijzondere omstandigheden aanvoert, het deze betrekt bij het besluit of het in dat geval een eigen bijdrage vaststelt. Op pagina 5 van het document ‘Werkinstructie uitvoeren Reba bij vermogen’ is uitgewerkt hoe het COa daarbij te werk gaat. Uitgangspunt is dat een vreemdeling verantwoordelijk is om het COa te informeren over een wijziging in zijn financiële situatie en om ervoor te zorgen dat hij aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen. Als een vreemdeling zijn vermogen boven de vermogensgrens al heeft opgemaakt, vraagt het COa naar de reden daarvan. Het kan zo zijn dat een vreemdeling zich in een uitzonderlijke situatie bevond waardoor hij geen andere mogelijkheid zag dan het gebruiken van dat vermogen. De vreemdeling moet dit echter aannemelijk maken met gegevens die concreet, objectief en verifieerbaar De dwangsom is een financiële prikkel voor het bestuursorgaan om te komen tot snellere besluitvorming. De dwangsom is dus niet bedoeld als een sanctie voor de minister voor het overschrijden van de beslistermijn en ook niet als vorm van genoegdoening voor degene die te lang op een besluit wacht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301, onder 19.13. Een toegekende dwangsom staat ook niet in de weg aan een verzoek om vergoeding voor geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van trage besluitvorming door het bestuursorgaan. Het COa en de IND hebben ieder een eigen financiering. Alleen al daarom slaagt het betoog niet dat afbreuk wordt gedaan aan de financiële prikkel die van de dwangsom uitgaat, doordat deze uiteindelijk terugvloeit naar de Staat. De grief slaagt niet. 9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier. w.g. Van Breda voorzitter w.g. Verbeek griffier Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026 574-1078 BIJLAGE Wet Centraal Orgaan Opvang asielzoekers Artikel 3 1. Het COA is belast met: a) de materiële en immateriële opvang van asielzoekers; […] 3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in het tweede lid. […] Artikel 5 1. In afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zijn de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens deze wet. […] Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 Artikel 20 1. De asielzoeker is verplicht onverwijld uit eigen beweging, of op verzoek van het COA, mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op verstrekkingen, het geldend maken van het recht op verstrekkingen, de duur van verstrekkingen of de hoogte van de toelagen die aan hem worden betaald. Indien deze feiten of omstandigheden betrekking hebben op een kind dan wordt de mededeling gedaan door de asielzoeker te wiens laste het kind komt en in het geval dit meer dan één asielzoeker betreft, door één van die asielzoekers. 2. Indien een asielzoeker of vergunninghouder die verblijft in een opvangvoorziening, daaronder begrepen de handhavings- en toezichtlocatie, dan wel de vergunninghouder bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens, bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet of inkomsten heeft, anders dan kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of deze regeling, is die asielzoeker of vergunninghouder aan het COA een vergoeding verschuldigd in de kosten van zijn opvang alsmede van de opvang van zijn gezinsleden. De tegemoetkoming bedraagt per maand ten hoogste de economische waarde van de aan een asielzoeker of vergunninghouder feitelijk geboden verstrekkingen, met dien verstande dat de vergoeding niet meer bedraagt dan het bedrag van het in de eerste volzin bedoelde vermogen of de in de eerste volzin bedoelde inkomsten. 3. Indien na zijn verblijf in een opvangvoorziening of de handhavings- en toezichtlocatie blijkt dat een vreemdeling tijdens dit verblijf beschikte over een vermogen of inkomsten, bedoeld in het tweede lid, kan het COA de kosten van de opvang van deze vreemdeling alsmede de kosten van opvang van zijn gezinsleden van hem terugvorderen. De terug te vorderen kosten per maand zijn niet hoger dan de economische waarde van de aan de vreemdeling feitelijk gebode