Rechtspraak Raad van State 2026-03-11
ECLI:NL:RVS:2026:1413
202301670/1/R2 en 202301673/1/R2. Datum uitspraak: 11 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Esch, gemeente Boxtel, 2. [appellant sub 2], wonend in Esch, gemeente Boxtel, 3. de vereniging Het Groene Hart Brabant (de vereniging), gevestigd in de gemeente Boxtel, appellanten, en de raad van de gemeente Boxtel, verweerder. Procesverloop Bij besluiten van 20 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" en het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" vastgesteld. Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en de vereniging beroep ingesteld. De raad heeft verweerschriften ingediend. [appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend. De Ruimte voor Ruimte II C.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure. De Afdeling heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting op 17 december 2025, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1] en [andere appellant], bijgestaan door mr. S.M. Schipper, advocaat in Breda, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R. Scholten, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, de vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde], die de zitting digitaal heeft bijgewoond, en de raad, vertegenwoordigd door L. Verduijn, zijn verschenen. Aan de zitting hebben verder deelgenomen de Ruimte voor Ruimte II C.V., vertegenwoordigd [gemachtigden], bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat in Tilburg, [vijf personen]. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan "Nieuw Koolwijk is op 9 juni 2022 ter inzage gelegd. Het ontwerpplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" is op 4 augustus 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. In het buitengebied van de gemeente Boxtel vindt aan De Ruiting in de kern Esch gebiedsontwikkeling De Ruiting plaats. Hiermee is een transformatie beoogd van een voornamelijk agrarische omgeving naar een woonomgeving met onder meer natuur en recreatie. Het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" voorziet in de herontwikkeling van de locaties De Ruiting 3 en 3A (De Roudonck), De Ruiting 4 en 4A (De Jofrahoeve), De Ruiting 5 (De Antoniushoeve) en De Ruiting 7 (Landgoed De Ruiting) in Esch in de gemeente Boxtel. Met het plan is beoogd om de veelal voormalige agrarische locaties te herontwikkelen tot bestemmingen voor (zorg)wonen met recreatieve of maatschappelijke nevenfuncties, recreatie en natuur. Het plan voorziet onder meer in maatschappelijke voorzieningen in de vorm van dagbesteding en een zorginstelling in woonvorm bestaande uit maximaal 18 zorgplaatsen. Daarnaast voorziet het plan in nieuwe natuur. Bij de agrarische bestemming is beoogd om de nadruk te verschuiven van agrarische productie naar verbetering van de kwaliteit van de landschapswaarden. De bestaande bebouwing wordt verwijderd, nieuwe bebouwing wordt toegevoegd en de ontwatering wordt aangepast aan het nieuwe gebruik. Met de sloop van stallen op de percelen De Ruiting 4 en 5A en De Ruiting 5 en de realisatie van enkele nieuwe gebouwe Op 9 oktober 2018 heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden over de voorgenomen ontwikkelingen in het gebied De Ruiting in de kern Esch in de voormalige gemeente Haaren. Per 1 januari 2021 is de gemeente Haaren opgeheven. Daarbij is de kern Esch aan de gemeente Boxtel toegevoegd. Op grond van artikel 44 van de Wet algemene regels herindeling zijn op die datum van herindeling de rechten en verplichtingen van de gemeente Haaren, wat betreft de kern Esch, overgegaan op de gemeente Boxtel. In de Inspraakverordening Boxtel 2006 is de inspraakprocedure vastgelegd. In artikel 5 van deze inspraakverordening staat dat ter afronding van een inspraak een eindverslag moet worden opgesteld en openbaar moet worden gemaakt. Het voorstel voor de gebiedsontwikkeling De Ruiting is nader uitgewerkt in twee bestemmingsplannen, namelijk het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" en het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7". 7.2. Het voorontwerpbestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" heeft ter inzage gelegen van 3 juni 2021 tot en met 14 juli 2021. Tijdens deze periode bestond de gelegenheid om een inspraakreactie kenbaar te maken. [appellant sub 1] en anderen hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een inspraakreactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan. De inspraakreacties zijn beantwoord in het "Eindverslag inspraak en vooroverleg voorontwerp bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk". Dit eindverslag is opgenomen als bijlage 16 bij de plantoelichting bij het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk". Het ontwerpbestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" heeft ter inzage gelegen van 9 juni tot en met 20 juli 2022. Gedurende deze zes weken bestond de mogelijkheid om een zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. [appellant sub 1] en anderen hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun zienswijzen in te dienen. De nota van zienswijzen maakt deel uit van het planvaststellingsbesluit en is ook opgenomen als bijlage 17 bij de plantoelichting bij het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk". 7.3. Het voorontwerpbestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" heeft ter inzage gelegen van 21 april tot en met 1 juni 2022. Tijdens deze periode bestond de gelegenheid om een inspraakreactie kenbaar te maken. [appellant sub 1] en anderen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een inspraakreactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan. De inspraakreacties zijn beantwoord in het "Eindverslag inspraak en vooroverleg voorontwerp bestemmingsplan De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7", dat als bijlage 16 is opgenomen in de bijlage bij de plantoelichting bij het bestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" heeft ter inzage gelegen van 4 augustus tot en met 14 september 2022. Gedurende deze zes weken bestond de mogelijkheid om een zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. J.J.M. van der Steen, één van de appellanten uit de groep van [appellant sub 1] en anderen, heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. De nota van zienswijzen maakt deel uit van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en is ook opgenomen als bijlage 17 bij de plantoelichting bij het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7". 7.4. De raad heeft aangegeven dat het initiatief voor deze ruimtelijke ontwikkelingen nog voor de gemeentelijke herindeling is gestart in de voormalige gemeente Haaren en dat in die periode ook de omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden. Het verslag hiervan is bijgevoegd als bijlage 15 bij de plantoelichting bij het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7". De inspraakprocedures en de bestemmingsplanprocedures zijn na de gemeentelijke herindeling geheel uitgevoerd door de gemeente Boxtel. Een ieder heeft de gelegenheid gehad om op de voorontwerpbestemmingsplannen en de ontwerpbestemmingsplannen te reageren. Alle ingekomen reacties zijn beoordeeld en gewogen bij de vaststelling van de bestemmingsplannen. De raad stelt dat verschillende initiatiefnemers gezame De Afdeling stelt vast dat de toenmalige gemeente Haaren voor de beoogde gebiedsontwikkelingen in 2015 heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de ontwikkeling van het gebied De Ruiting en in 2018 een omgevingsdialoog heeft gehouden. De Afdeling overweegt dat de Nadere regel principeverzoeken buitengebied gemeente Boxtel daarop niet van toepassing was en dat de toenmalige gemeente Haaren daarmee destijds dus geen rekening hoefde te houden. Ook valt niet in te zien dat de gemeente Boxtel na de gemeentelijke herindeling niet van de brief van 24 september 2015 van de raad van de voormalige gemeente Haaren en het gevoerde omgevingsdialoog mocht uitgaan. Bovenstaand, onder 7.1 - 7.5, is al overwogen dat [appellant sub 1] en anderen niet in hun belangen zijn geschaad, wat betreft het ontbreken van een omgevingsdialoogverslag bij het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk". Het betoog slaagt niet. - Aanvaardbare locatie van de zes Ruimte voor Ruimte-woningen 9. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" in strijd met artikel 3.78, derde lid, en 3.79, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV heeft vastgesteld, omdat de beoogde woningbouw voor zes Ruimte voor Ruimte-woningen niet op een aanvaardbare locatie is voorzien. Volgens hen ligt het plangebied niet in een bebouwingsconcentratie en is er ook geen sprake van een logische afronding van stedelijk gebied. 9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de beoogde woningbouw op een aanvaardbare locatie is voorzien. Het plangebied van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" maakt volgens de raad deel uit van een bebouwingsconcentratie, omdat het plangebied in een bestaand bebouwingscluster ligt. Het plangebied bevindt zich namelijk in een bestaande vlakvormige verzameling van bebouwing gelegen buiten stedelijk gebied. Het bebouwingscluster wordt aan de oostzijde begrensd door het beekdal van de Essche Stroom. Aan de westzijde wordt het bebouwingscluster begrensd door de bebouwing aan de Haarenseweg 17. Voorbij deze bebouwing begint het karakteristieke halfopen landschap tussen Esch en Haaren. Aan de noordzijde wordt het bebouwingscluster begrensd door de sportvelden van de voetbalvereniging. Aan de zuidzijde moet de woning aan De Ruiting 1A worden gezien als de laatste bebouwing behorende tot het bebouwingcluster. Voorbij deze woning trekt het landschap zich naar het zuiden meer open. Ter plaatse van De Ruiting 1A is sprake van een overbrugnederzetting. Deze nederzettingen zijn typisch voor dorpen die zich op de flank van de beek uitstrekken. Op de plaats waar de beek werd overgestoken (de voorde) werd van oudsher bebouwing geclusterd. Deze bebouwing is allereerst ontwikkeld op de hoger gelegen gronden de zogenaamde donken. De bebouwing van Kranenburg, Koolwijk en Gasthuis zijn hier voorbeelden van, aldus de raad. 9.2. De Afdeling komt tot het oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de woning op een aanvaardbare locatie, als bedoeld in artikel 3.78, derde lid, en 3.79, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV , is voorzien. Daartoe overweegt de Afdeling dat bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een bebouwingscluster, als bedoeld in artikel 1.1 van de IOV, de raad beoordelingsruimte toekomt. De Afdeling volgt de raad in het oordeel dat het plangebied van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk", te weten perceel [locatie A]B, in een bebouwingscluster, en daarmee ook in een bebouwingsconcentratie ligt. Blijkens de kaarten en tekeningen die tot de stukken behoren, maken de woningen aan De Ruiting namelijk deel uit van de gronden waarop de bestaande bebouwing vlakvormig is verzameld en is gelegen buiten stedelijk gebied. Het betoog slaagt niet. - Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel 10. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad in het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" ten onrechte niet is ingegaan op de landschappelijke waarden, als bedoeld artikel 3.32 van de IOV. Zi Volgens [appellant sub 1] en anderen heeft de raad bij de planvaststelling onvoldoende gemotiveerd hoe in het plan hiermee rekening wordt gehouden. Dit is in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Op de zitting hebben [appellant sub 1] en anderen aangevoerd dat ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting in de planregels is opgenomen om nog meer wateroverlast bij hun percelen als gevolg van de beoogde woningbouw te voorkomen. 11.1. In paragraaf 4.2 tot en met 4.6 van het inrichtingsplan is het aspect water getoetst en in paragraaf 4.1.3 van de plantoelichting van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" is de waterparagraaf opgenomen. Daarin is onder meer ingegaan op de plannen van het waterschap De Dommel voor de afwatering van het plangebied. In de plantoelichting staat dat het plangebied ligt in de Attentiezone waterhuishouding, als bedoeld in artikel 3.26 van de IOV, en dat ontwikkelingen binnen het attentiegebied niet mogen leiden tot een negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Volgens de raad is in het plan voldoende ingegaan op en geregeld dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse heeft. De plantoelichting vermeldt dat voor de beoogde herontwikkeling opstallen in het plangebied met een totaaloppervlak van 6.350 m² zijn gesaneerd. Hiervoor in de plaats komt een zestal Ruimte voor Ruimte-woningen. Het inrichtingsplan vermeldt dat na de herontwikkeling sprake zal zijn van ongeveer 3.050 m² oppervlakteverharding. Het verhard oppervlak ter plaatse zal als gevolg van de beoogde herontwikkeling dus afnemen. Daarom is in beginsel geen compensatie vereist in de vorm van extra waterberging. Niettemin is ervoor gekozen om een gedeelte van het plangebied binnen de bestemming "Natuur" in te richten voor waterberging. De realisatie van deze extra waterberging zal worden meegenomen in de watervergunning. De nieuwe woningen wateren oppervlakkig af richting de greppels en de sloten. In de plantoelichting staat hierover dat de bestaande afwateringsstructuur op punten wordt herzien, vooral waar het gaat om kwaliteitsverbetering van het oppervlaktewater in en rondom het gebied. Er zullen greppels worden gegraven langs de weilandjes en een gedeelte aansluitend op de natuurzone langs de Essche Stroom zal worden aangepast ten behoeve van waterberging. Omdat er een wijziging van de detailafwatering is voorzien, moet een watervergunning worden aangevraagd, zodat het waterschap deze kan beoordelen. De raad benadrukt dat deze wijzigingen in overleg met het Waterschap De Dommel zijn bepaald. De beoogde herontwikkeling heeft dus, wat betreft de waterhuishoudkundige situatie, geen negatief effect op het attentiegebied. Verder is in de planregels van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" geregeld dat binnen alle bestemmingen water en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn toegestaan; zoals bijvoorbeeld in artikel 3.1 voor de gronden met de bestemming "Groen", artikel 4.1 voor de gronden met de bestemming "Natuur", artikel 5.1 voor de gronden met de bestemming "Verkeer - wegen" en artikel 6.1 voor de gronden met de bestemming "Wonen". Ook voor waterhuishoudkundige maatregelen buiten het plangebied (bijvoorbeeld de aanleg van een stuw, nieuwe sloten en de demping van bestaande sloten) biedt het bestemmingsplan mogelijkheden voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen in het plangebied. De raad benadrukt dat het bestemmingsplan, zoals dat nu voorligt, wat betreft de waterhuishoudkundige aspecten, tot stand is gekomen in overleg met en de goedkeuring heeft van het waterschap, en dat hiervoor in een later stadium een positieve reactie van het waterschap op de aanvraag om een watervergunning mag worden verwacht. De raad merkt hierbij op dat dat onverlet laat, dat als de wateropgave niet op deze wijze kan worden gerealiseerd, het waterschap vanuit haar bevoegdheid een afdoende alternatief zal eisen, zodat ook in zoverre geen wateroverlast als gevolg van de beoogde ontwi Die artikelen strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1] en anderen, zodat deze beroepsgrond niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg dat de beroepsgrond over een mogelijke aantasting van archeologische waarden kan leiden tot een vernietiging van de besluiten. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze grond. Beroep van [appellant sub 2] - Toevoegen van een burgerwoning 13. [appellant sub 2] betoogt dat met het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" ten onrechte een burgerwoning wordt toegevoegd naast een bedrijfswoning en dat het plan daarom is vastgesteld in strijd met artikel 3.69 van de IOV. 13.1. De plantoelichting vermeldt dat op het perceel De Ruiting 4/4A een intensieve veehouderij met een bijbehorende boerderijwinkel/excursieruimte was gevestigd. De bij de veehouderij behorende bedrijfswoning staat op het perceel De Ruiting 4. Beoogd is om de veehouderij te saneren en de agrarische bestemming om te zetten naar een maatschappelijke bestemming ten behoeve van een zorgboerderij. De bestaande rundveestal op het perceel De Ruiting 4A wordt omgebouwd en heringericht voor het nieuwe maatschappelijke gebruik, onder meer voor dagbesteding. Voor het zogenoemd ‘beschermd wonen’ worden twee nieuwe gebouwen gerealiseerd voor ongeveer 18 zorgplaatsen. De cultuurhistorisch waardevolle Vlaamse schuur op het perceel De Ruiting 4A wordt in gebruik genomen als bedrijfswoning bij de beoogde maatschappelijke functie op het perceel. De overtollige bebouwing wordt gesloopt. De bedrijfswoning op het perceel De Ruiting 4 met de bijbehorende vergunde bed and breakfast wordt omgezet naar een reguliere burgerwoning. De bed and breakfast blijft behouden als nevenfunctie binnen de woonbestemming, zo staat in de plantoelichting. 13.2. In artikel 3.68, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV staat dat een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In artikel 3.69 van de IOV staat dat, in afwijking van artikel 3.68, een bestemmingsplan kan voorzien in, voor zover nu van belang, c. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. d. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. 13.3. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" is vastgesteld in overeenstemming met artikel 3.69, aanhef en onder c en d, van de IOV. De raad heeft toegelicht dat in dat plan, in overeenstemming met artikel 3.69, aanhef en onder d, van de IOV, de voormalige bedrijfswoning wordt bestemd als burgerwoning. De raad wijst erop dat de overtollige bebouwing al is gesloopt. De bestaande bedrijfsbebouwing is namelijk deels gesloopt. De overige bebouwing krijgt met het plan een nieuwe maatschappelijke invulling, waardoor er dus geen overtollige bebouwing meer is. Ook wordt de burgerwoning niet gesplitst in meerdere woonfuncties. Daarnaast wijst de raad erop dat in het plan is gewaarborgd dat de vestiging van de woonfunctie in de bestaande schuur voldoet aan artikel 3.69, aanhef en onder c, van de IOV. Deze woonfunctie is namelijk beoogd in de zogenoemde Vlaamse schuur, een cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, als bedoeld in artikel 3.69, aanhef en onder c, van de IOV. Met het plan wordt de cultuurhistorisch waardevolle Vlaamse schuur binnen het bouwvlak van de maatschappelijke bestemming gebruikt als bedrijfswoning. De vestiging van de woonfunctie in de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing draagt bij aan het behoud en herstel van deze bebouwing. 13.4. Gelet op deze nadere toelichting van de raad en de plantoelichting, Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Gelet op het late tijdstip waarop de nieuwe beroepsgrond naar voren is gebracht, hebben de overige partijen onvoldoende gelegenheid gehad om hierop te kunnen reageren. Verder is niet gebleken dat [appellant sub 2] deze grond niet eerder naar voren heeft kunnen brengen. De Afdeling laat deze grond daarom buiten beschouwing. Beroep van de vereniging - Versterking van het landschap 15. De vereniging betoogt dat de bestemmingsplannen in strijd zijn met de goede ruimtelijke ordening, omdat de raad ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom is afgeweken van een eerder afgesloten convenant. De vereniging wijst in dit verband op een zogenoemd gebiedsconvenant dat op 13 september 2002 is afgesloten tussen betrokken gemeenten, ‘grote terreinbeheerders’ en de provincie Noord-Brabant. De looptijd was tot vier jaar na ondertekening. De doeleinden van het convenant waren gericht op versterking van het landschap. Maar volgens de vereniging leiden de bestemmingsplannen juist tot meer verstening en verrommeling in het buitengebied en worden daarmee de aanwezige landschapswaarden en natuurwaarden en de cultuurhistorische gebiedswaarden onvoldoende beschermd. De bestemmingsplannen zijn daarom in strijd met het convenant vastgesteld. Volgens de vereniging heeft de raad daarin ten onrechte geen aanleiding gezien om van de vaststelling van de plannen af te zien. 15.1. De Afdeling stelt vast dat de voorliggende bestemmingsplannen zijn vastgesteld in 2022. Hoewel de looptijd van het convenant al in 2006 is verlopen, heeft de raad bij de vaststelling van de plannen rekening gehouden met het versterken van het landschap. Wat betreft het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7", heeft de raad erop gewezen dat er, voor de ontwikkelingen die met dat plan zijn beoogd, twee veehouderijen worden gesaneerd. Met de sloop van stallen op de percelen De Ruiting 4 en 5A en De Ruiting 5 en de realisatie van enkele nieuwe gebouwen zal de totale oppervlakte van de bebouwing binnen het gehele plangebied afnemen met ruim 3.700 m². Dit is een grote winst voor de versterking van het landschap. Ook voorziet het plan in een forse uitbreiding van de gronden met de bestemming "Natuur" binnen het plangebied. De raad stelt dat juist om een goede inpassing in het landschap te borgen het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" gepaard gaat met een inrichtingsplan waarvan de uitvoering geborgd wordt door de voorwaardelijke verplichting, opgenomen in artikel 16.3.1 en 16.3.2 van de planregels van het bestemmingsplan. De raad benadrukt dat door de sanering van twee veehouderijen en de sloop van een deel van de daarbij behorende bedrijfsbebouwing en ook door de forse uitbreiding van natuur binnen het plangebied, het plan juist niet leidt tot een toename van verstening en verrommeling in het plangebied. Verder is in de plantoelichting bij bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7", met name in paragraaf 3.3.1, ingegaan op de cultuurhistorische waarden van het plangebied. Onder verwijzing naar het inrichtingsplan is gemotiveerd dat deze de cultuurhistorische waarden behouden blijven en, waar nodig, versterkt worden. Wat betreft het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" heeft de raad gemotiveerd dat ook bij dit plan is gekozen voor de versterking van het landschap. De raad wijst erop dat is gekozen voor een ruimtelijke opzet met een groen raamwerk, bestaande uit enkele nieuwe bosjes aangevuld met bomenrijen In artikel 1.36 van de planregels is opgenomen wat onder extensief recreatief medegebruik wordt begrepen, namelijk: een vorm van recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatief gebruik is toegestaan en waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte. Daarbij is vermeld dat onder extensief recreatief medegebruik onder andere wordt verstaan (sport)vissen, kanoën en daarmee gelijk te stellen activiteiten, zulks met uitsluiting van gemotoriseerd vaarverkeer. Wat onder "toeristisch, recreatief en cultureel medegebruik" wordt begrepen is niet in het plan opgenomen. Maar volgens de raad is voor de uitleg hiervan het normale spraakgebruik, gelezen in samenhang met artikel 1.36 van de planregels, richtinggevend. De Afdeling overweegt dat voor het aanvullen van de planregels, zoals de vereniging wenst, alleen aanleiding bestaat wanneer dat is vereist om een gebrek te repareren. Naar het oordeel van de Afdeling is, gelet op het normale spraakgebruik en de context van artikel 1.36 en artikel 4.1 van de planregels, echter voldoende duidelijk wat er onder "toeristisch, recreatief en cultureel medegebruik" moet worden verstaan. Daaraan, en aan de samenhang met de bestemming "Groen" die aan de gronden is toegekend, kan namelijk worden ontleend dat het hoofdgebruik voor groendoeleinden is, en dat het toeristisch, recreatief of cultureel gebruik ondergeschikt en in lijn met de groenbestemming moet zijn, zoals bijvoorbeeld picknicken door wandelaars en uitrusten van fietsers langs de weg, of een incidenteel buurtfeest. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het ontbreken van een definitie in de planregels van planregels van het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" kan leiden tot een rechtsonzekere situatie. Daarbij heeft de vereniging overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat de uitleg van dit begrip in de praktijk tot onduidelijkheid zal leiden. Het betoog slaagt niet. 16.3. In artikel 6.1, aanhef en onder c, van de planregels van het bestemmingsplan "De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7" staat dat de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd zijn voor het "behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen". Over het betoog van de vereniging dat niet duidelijk is waar er binnen de bestemming "Natuur" wegen, paden en parkeervoorzieningen zijn toegestaan binnen het plangebied, heeft de raad erop gewezen dat in de inrichtingsschets en het inrichtingsplan, opgenomen als bijlage 1 bij de planregels, de gebiedsontwikkeling is uitgewerkt. De terreininrichting is daarin weergegeven. Uit artikel 6.3.1, aanhef en onder i, gelezen in samenhang met artikel 6.3.2, aanhef en onder c, van de planregels volgt dat het aanleggen en/of het verharden van wegen of paden alleen is toegestaan als dit wordt uitgevoerd in overeenstemming met het inrichtingsplan. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt rechtsonzeker is. Het betoog slaagt niet. - Bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" 16.4. In de planregels van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" staat in artikel 3 wat is toegestaan op de gronden met de bestemming "Groen". In artikel 4 staat wat is toegestaan op de gronden met de bestemming "Natuur". In artikel 3.1, aanhef en onder g, van de planregels van het bestemmingsplan "Nieuw Koolwijk" staat dat de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd zijn voor "toeristisch, recreatief en cultureel medegebruik". In artikel 1.30 van de planregels is opgenomen wat onder extensief recreatief medegebruik wordt begrepen; namelijk een vorm van recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatief gebruik is toegestaan en waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte. Daarbij is vermeld dat onder extensief recreatief medegebruik onder andere wordt verstaan (sport)vissen, kanoën en daarmee gelijk te stellen activiteiten, zulks met uitsluiting van g Daarmee wordt de schadevergoeding voor [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] vastgesteld op € 1.000,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant sub 1] en anderen samen procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Dat betekent dat aan [appellant sub 1] en anderen samen in totaal een bedrag van € 1.000,00 wordt toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroep in te stellen hebben [appellant sub 1] en anderen de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:245). Conclusie 19. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en de vereniging zijn ongegrond. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. 20. De Staat der Nederlanden moet aan [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] een schadevergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn. 21. De Staat der Nederlanden moet de proceskosten van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voor het verzoek om schadevergoeding vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen ongegrond; II. wijst de verzoeken van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] om schadevergoeding toe; III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot betaling van een schadevergoeding van: a. € 1.000,00 aan [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. € 1.000,00 aan [appellant sub 2]; IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van; a. € 467,00 aan [appellant sub 1] en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. € 467,00 aan [appellant sub 2], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier. w.g. Jurgens voorzitter w.g. Ramrattansing griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 408 BIJLAGE Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geldend tussen 15 april 2022 en 20 maart 2023) Artikel 1.1 Begripsbepaling […] bebouwingscluster vlakvormige verzameling van bebouwing, gelegen buiten Stedelijk gebied bebouwingsconcentratie kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster; bebouwingslint min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten Stedelijk gebied; […] Artikel 3.26 Attentiezone waterhuishouding Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgronding op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en d. op welke wijze de sloop van overtollige bebouwing wordt gerealiseerd. Lid 2 Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is. Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als: a. de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel de middelen genereert; b. de realisering van de onder a bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd; c. de ontwikkeling door meerwaardecreatie aanzienlijk bijdraagt aan algemene belangen zoals sloop van overtollige bebouwing, de aanleg van natuur en bos, de verbetering van het woon- en leefklimaat, het terugdringen van de emissie van milieuhinderlijke stoffen of het behoud van cultuurhistorische waarden; d. de ontwikkeling en de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 3.77; e. is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, bezien vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt; f. de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; en g. bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is. Lid 2 De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit betreft maatwerk waarbij in ieder geval de volgende aspecten in acht worden genomen en juridisch vastgelegd: a. als de activiteit de realisatie van een woning betreft: I. wordt de woning opgericht op een aanvaardbare locatie in Landelijk gebied; II. is de fysieke tegenprestatie, die is gericht op het versterken van omgevingskwaliteit, qua omvang gelijk aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel; en III. is in overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort; b. als de ontwikkeling mede tot doel heeft een milieubelastende activiteit te saneren, alle daarvoor aanwezige rechten en toestemmingen, waaronder de verleende vergunningen, zijn ingetrokken; c. als de activiteit de ontwikkeling van een nieuw landgoed betreft: I. heeft het landgoed ten minste een omvang van10 hectare; II. bestaat 50% van het landgoed uit gerealiseerde natuur binnen het Natuur Netwerk Brabant; III. wordt de fysieke tegenprestatie ingezet voor de ontwikkeling van natuur; IV. is de bebouwing van allure en qua omvang passend bij de uitstraling van het landgoed; V. wordt de bebouwing geconcentreerd opgericht buiten het Natuur Netwerk Brabant; VI. zijn naast landgoedwoningen ook andere bij een landgoed passende gebruiksactiviteiten mogelijk, waaronder zorg; en VII. is de openbaarheid van het landgoed verzekerd. d. als de ontwikkeling plaatsvindt binnen een Cultuurhistorisch waardevol gebied ter behoud van een waardevol cultuurhistorisch complex, zoals beschreven op de Cultuurhistorische Waardenkaart, is de fysieke tegenprestatie gericht op behoud of versterking van de aldaar benoemde waarden en kenmerken. Lid 3 Er is sprake van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als: a. de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; of b. de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie. Lid 4 Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: a. artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, onder a; b. artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en c. artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied, eerste lid, onder a. Artikel 3.79 Ruimte-voor-ruimtekavel Lid 1 Een bes