Rechtspraak Raad van State 2026-01-14
ECLI:NL:RVS:2026:141
202300124/1/V1. Datum uitspraak: 14 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 december 2022 in zaak nr. 22/4075 in het geding tussen: appellant en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Procesverloop Bij besluit van 31 mei 2022 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vastgesteld op € 5.663,33. Bij uitspraak van 8 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Het COa heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd. Het COa heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft deze zaak, gelijktijdig met zaken nrs. 202107338/1/V1, 202203259/1/V1 en 202302916/1/V1, op een zitting behandeld op 28 maart 2025. Appellant, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. Jansen, advocaat in Kapelle, en het COa, vertegenwoordigd door mr. J.V. de Kort, advocaat in Den Haag, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Het COa biedt opvangvoorzieningen voor asielzoekers en verlangt een eigen bijdrage in de kosten daarvan als zij vermogen en/of inkomen hebben. Zij kunnen bijvoorbeeld vermogen hebben als zij een dwangsom van de IND hebben ontvangen, omdat de asielprocedure te lang heeft geduurd. 1.1. Het COa is op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet COa belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Met de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) en de Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008 (hierna: de Reba 2008) heeft de regelgever invulling gegeven aan die bepaling. Uit artikel 20 van de Rva 2005 volgt dat, als een asielzoeker beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens die volgt uit artikel 34 van de Participatiewet, de asielzoeker een vergoeding in de kosten van de opvang in de vorm van een eigen bijdrage aan het COa is verschuldigd en dat het COa deze vergoeding ook naderhand kan terugvorderen, als blijkt dat de asielzoeker tijdens het verblijf in de opvang over vermogen beschikte. In de artikelen 2 en 3 van de Reba 2008 is bepaald wat de economische waarde is van de feitelijk geboden verstrekkingen die het COa gebruikt voor de berekening van de eigen bijdrage. In artikel 7 van de Reba 2008 is bepaald wat wel en niet onder vermogen wordt verstaan. Zo is in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder e, van de Reba 2008 bepaald dat vergoedingen voor immateriële schade niet als vermogen in aanmerking worden genomen. 1.2. Het COa heeft de werkwijze hoe het een eigen bijdrage berekent en vaststelt verder uitgewerkt in een document ‘Beleidskader Werk en Inkomen’ en een document ‘Werkinstructie uitvoeren Reba bij vermogen’. Deze documenten heeft het COa bij de schriftelijke uiteenzetting overgelegd aan de Afdeling. 1.3. Deze uitspraak gaat over de vraag of het COa op grond van de Rva 2005 en de Reba 2008 voor vreemdelingen een eigen bijdrage mag vaststellen in de kosten van opvang wegens het hebben van vermogen boven de vermogensgrens, als deze vreemdelingen alleen over dit vermogen beschikken omdat de IND aan hen een dwangsom heeft betaald. De Afdeling is van oordeel dat het COa deze eigen bijdrage ook dan mag vaststellen en legt dat in deze uitspraak uit. 1.4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Het besluit 2. Het COa krijgt op basis van het ‘Convenant ten behoeve van het uitvoeren van art. 20 Rva 2005 en de Reba 2008 door het COa’ van de IND informatie over dwangsommen die de IND heeft uitbetaald aan vreemdelingen. Uit de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:139, onder 5.2 tot en met 5.2.2, volgt dat de IND en het COa deze gegevens mogen verwerken. Aan de hand van deze informatie onderzoekt het COa of een vreemd De rechtbank had daarom het door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren, het beroepschrift moeten aanmerken als een bezwaarschrift en dat op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb, ter behandeling moeten doorsturen naar het COa. 3.2. Dat de procedurele gang van zaken niet in lijn is met artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb, leidt in dit geval niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:302, onder 3.2, heeft overwogen, kan alleen de indiener van het bezwaarschrift het bestuursorgaan verzoeken om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Dat heeft appellant weliswaar niet gedaan, maar partijen zijn tijdens de zitting bij de Afdeling alsnog akkoord gegaan met het overslaan van de bezwaarprocedure. De Afdeling vindt daarbij ook van belang dat appellant zelf niet heeft geklaagd over het feit dat de bezwaarprocedure is overgeslagen. Dat in aanmerking genomen, en gelet op het belang dat appellant heeft bij het verkrijgen van uitsluitsel over de uitkomst van haar procedure, welk belang niet is gediend bij een herstart in de bezwaarfase, zal de Afdeling zich inhoudelijk buigen over het hogerberoepschrift. Uitspraak van de rechtbank 4. De rechtbank is van oordeel dat het COa deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de berekening die volgt uit de Reba 2008 verschilt van die van de Participatiewet, ondanks dat de berekening op hetzelfde rekenmodel is gebaseerd. Volgens de rechtbank is het besluit daarom niet in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Ook is de rechtbank van oordeel dat het COa zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een dwangsom een prikkel tot besluitvorming is en geen immateriële schadevergoeding en dat zij appellant niet volgt in haar betoog dat de uitgekeerde dwangsom buiten beschouwing zou moeten blijven bij het bepalen van haar vermogen. Hoger beroep Het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel 5. Appellant richt haar eerste grief tegen het oordeel van de rechtbank dat het COa deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de berekening die volgt uit de Reba 2008 verschilt van die van de Participatiewet, ondanks dat de berekening op hetzelfde rekenmodel is gebaseerd, en dat het besluit niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Appellant betoogt dat voor de aansluiting bij het rekenmodel dat is gebaseerd op de interingsnorm uit de Participatiewet geen wettelijke grondslag bestaat en dat deze berekening in vergelijking voor vreemdelingen onevenredig zwaar is. Zo krijgt een bijstandsgerechtigde, in tegenstelling tot een vreemdeling die opvang geniet, ook huurtoeslag en wordt huurtoeslag pas teruggevorderd bij een aanzienlijk hoger eigen vermogen voor een alleenstaande. Volgens haar is toepassing van deze regels niet evenwichtig. Zij wijst erop dat de IND ruimschoots na de genoemde termijn in artikel 31 van de Procedurerichtlijn van 21 maanden een besluit heeft genomen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dat zij psychische klachten heeft en al die tijd in de beperkte omgeving van de opvang heeft verbleven. Volgens appellant heeft de rechtbank niet onderkend dat het COa niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe het besluit zich in dit geval verhoudt tot het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Interingsnorm 5.1. Het betoog van appellant slaagt niet. Uit artikel 17, vierde lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat lidstaten, als verzoekers over voldoende middelen beschikken, een bijdrage mogen verlangen voor het totaal of een deel van de kosten van de door de Opvangrichtlijn geboden materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat lidstaten verzoekers, bij het verstrekken van materiële opvangvoorzieningen in de vorm van uitkeringen, minder gunstig kunnen behandelen dan eigen onderdanen. Dit geldt met name als de materiële steun gedeeltelijk in natura wordt verstrek Dat de IND net als het COa betrokken is bij de vreemdelingenketen, betekent niet dat een fout van de IND eerder in deze keten, zoals hier het niet tijdig nemen van een besluit, later in die keten meebrengt dat het daardoor verkregen vermogen niet vatbaar is voor het in rekening brengen van een eigen bijdrage in de kosten die het COa voor opvang maakt en daarom het verlangen van een eigen bijdrage niet evenwichtig is. De omstandigheden dat appellant al die tijd in de opvang heeft verbleven en de door haar gestelde psychische klachten maken ook niet dat het besluit niet evenwichtig is. Hoewel de Afdeling begrijpt dat het lange verblijf in de opvang, waarbij, zoals zij tijdens de zitting heeft toegelicht, zij zich onveilig heeft gevoeld, veel van haar heeft gevergd, maakt dat nog niet dat het COa van appellant geen eigen bijdrage in de kosten van de opvang mag verlangen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat zij psychische klachten heeft door, zoals appellant tijdens de zitting heeft toegelicht, wat zij heeft meegemaakt in haar land van herkomst en de in het rapport van VluchtelingenWerk Nederland aangehaalde slechte opvangomstandigheden. Deze omstandigheden zijn geen gevolgen van het besluit tot vaststelling van de eigen bijdrage in de kosten van de opvang. Het voorgaande in aanmerking genomen en de aangevoerde omstandigheden ook in samenhang bezien, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De grief slaagt niet. Immateriële schadevergoeding 6. Appellant richt grieven twee en drie tegen het oordeel van de rechtbank dat een dwangsom een prikkel tot besluitvorming is en geen immateriële schadevergoeding. Appellant betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3027, onder 3, dat een dwangsom óók een financiële compensatie is. Ook betoogt zij dat uitbetaalde dwangsommen niet onder het vermogen moeten vallen bij de berekening van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang, omdat anders te zeer afbreuk wordt gedaan aan de financiële prikkel die van de dwangsom uitgaat. Volgens haar valt zowel de IND als het COa immers onder het Ministerie van Justitie en Veiligheid en vloeit door de eigen bijdrage in de kosten van de opvang een deel van de dwangsom dus terug naar het Ministerie dat die dwangsom eerder heeft moeten betalen. 6.1. Het betoog van appellant slaagt niet. De dwangsom is een financiële prikkel voor het bestuursorgaan om te komen tot snellere besluitvorming. De dwangsom is dus niet bedoeld als een sanctie voor de minister voor het overschrijden van de beslistermijn en ook niet als vorm van genoegdoening voor degene die te lang op een besluit wacht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301, onder 19.13. Een toegekende dwangsom staat ook niet in de weg aan een verzoek om vergoeding voor geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van trage besluitvorming door het bestuursorgaan. Dat uit de woorden ‘financiële compensatie’ in de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2020 afgeleid moet worden dat het om een immateriële schadevergoeding gaat, volgt de Afdeling daarom niet. Dat heeft de rechtbank terecht overwogen. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat het COa en de IND een eigen financiering hebben. Alleen al daarom slaagt het betoog niet dat te zeer afbreuk wordt gedaan aan de financiële prikkel die van de dwangsom uitgaat, doordat deze uiteindelijk terugvloeit naar het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De grief slaagt niet. 7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier. w.g. Van Breda v