Rechtspraak Raad van State 2026-03-11
ECLI:NL:RVS:2026:1395
202407364/1/A2. Datum uitspraak: 11 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Stichting Kasteel Heeze (hierna: de stichting), gevestigd in Heeze, appellante, en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder. Procesverloop Bij uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1968, heeft de Afdeling het door de stichting ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 april 2022 in zaak nr. 20/3102 vernietigd, het beroep van de stichting gegrond verklaard en het besluit van 28 juli 2020 vernietigd, en de minister opgedragen om opnieuw een besluit te nemen op het bezwaar van de stichting. Verder heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald dat tegen het door de minister nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Bij besluit van 29 oktober 2024 heeft de minister het door de stichting ingestelde bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2020 opnieuw ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 december 2025, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. drs. S.E. van Tuyll van Serooskerken, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L.J. Tigelaar en mr. M. Knoop, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Op 29 juni 2016 heeft de stichting een verzoek gedaan om op grond van de Monumentenwet 1988 (thans: Erfgoedwet) wijzigingen aan te brengen in het register van beschermde monumenten en aan een aantal objecten die behoren tot de historische buitenplaats Heeze een zelfstandig monumentnummer toe te kennen. Historische buitenplaats Heeze omvat thans vijftien beschermde momenten die door de minister als zelfstandig beschermd monument zijn aangewezen. 2. Het verzoek van de stichting had betrekking op zeventien objecten: de koetshuizen, de keermuur, een console met vaas in Lodewijk XIV-stijl, een achttiende-eeuwse tuinmuur, het tennishuisje, een negentiende-eeuwse zonnewijzer, de parkaanleg buiten de gracht, de poort bij de Lindenlaan, de toegangspoort tot het oostelijke deel van de Engelse tuin, de oprijlaan, de uitlaat van de sluiswerken in de Sterkelse Aa, de brug over de Groote Aa, de brug naar tuin aan de zuidzijde, de brug naar de tuin aan de noordzijde, de ophaalbrug bij de tuinmanswoning, de open stal bij de duiventoren, en de houtschuur. Het verzoek van de stichting bestond daarbij uit twee onderdelen: a. veertien van de zeventien in het verzoek genoemde objecten zijn reeds beschermd (elk als onderdeel van één van vijftien aangewezen beschermde monumenten), maar vormen samen met andere objecten één monumentnummer; het verzoek is om aan deze veertien objecten alsnog een eigen monumentnummer toe te kennen; b. drie van de zeventien in het verzoek genoemde objecten zijn nog niet in een redengevende omschrijving genoemd; het verzoek is om deze objecten alsnog te beschermen en daarbij tevens een eigen monumentnummer toe te kennen. Dit betreft de zonnewijzer, de houtschuur en de open stal bij de duiventoren. 3. Bij besluit van 10 januari 2020 heeft de minister het register van beschermde monumenten gewijzigd, door aan de redengevende omschrijving van de tuin- en parkaanleg een houtschuur en een zonnewijzer op console toe te voegen. In reactie op de aanvraag van de stichting van 29 juni 2016 heeft de minister verder ten aanzien van twee van de veertien objecten, de keermuur en de uitlaat van de sluiswerken in de Sterkelse Aa, duidelijk gemaakt dat hij geen reden ziet om de objecten een eigen monumentnummer toe te kennen. Over twaalf van de veertien objecten, de koetshuizen, de console met vaas in Lodewijk XIV-stijl, de achttiende-eeuwse tuinmuur, het tennishuisje, de parkaanleg buiten de gracht, de poort bij de Lindenlaan, de toegangspoort tot het oostelijke deel van de Engelse tuin, de oprijla De minister heeft daarbij duidelijk gemaakt aan dat hij sinds de inwerkingtreding van de Erfgoedwet alleen nog overgaat tot het zelfstandig aanwijzen van een rijksmonument als het monument zelfstandig van evident algemeen belang is op grond van de waarderingscriteria. De waarde van de zonnewijzer en de houtschuur is niet los te zien van het complex historische buitenplaats Heeze als geheel. Verder leiden de overige betrokken belangen ook op dit punt ertoe dat de minister, ondanks het geslaagde beroep op het gelijkheidsbeginsel van de stichting, het verzoek afwijst. De minister heeft verder besloten dat ook de open stal bij de duiventoren niet voldoet aan de waarderingscriteria voor bescherming als zelfstandig monument, en heeft opnieuw besloten dat er ook geen reden is om de open stal bij de duiventoren bij te beschermen. 6. De minister heeft op 8 november 2024 artikel 30 van de Subsidieregeling gewijzigd, waarin is opgenomen welke organisaties in aanmerking kunnen komen voor de POM-status. Die wijziging bestaat eruit dat op grond van het tweede lid van de bepaling niet enkel is vereist dat de organisatie eigenaar is van minimaal twintig rijksmonumenten, maar dat dit ook twintig zelfstandige onderdelen kunnen zijn. In de bijlage bij het verweerschrift is opgenomen dat het complex historische buitenplaats Heeze uit 36 zelfstandige onderdelen bestaat. Beroepsgronden 7. De stichting betoogt dat de minister ten onrechte het verzoek heeft afgewezen, nu hij heeft geconstateerd dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt. Daarbij kan de stichting zich niet vinden in de belangenafweging die door de minister is gemaakt. De verwijzing naar de gevolgen met betrekking tot andere eigenaren van buitenplaatsen is onjuist, omdat het onwaarschijnlijk is dat het om een groot aantal monumentencomplexen gaat, en deze eigenaren bovendien kennelijk geen reden hebben gezien om een verzoek tot wijziging van het register in te dienen. De minister heeft zelf verdergaande rechtsgevolgen verbonden aan de wijze van registratie, door het aantal monumentnummers bepalend te laten zijn voor de POM-status. Deze mogelijke omvangrijke gevolgen kunnen geen argument zijn om het gelijkheidsbeginsel vervolgens niet in acht te nemen. Het standpunt van de minister dat de registratie van monumenten niet telkens aan wijzigingen onderhevig zou moeten zijn, gaat er verder aan voorbij dat de Monumentenwet 1988 deze mogelijkheid om een verzoek tot wijziging van het register te doen wel kende. Hoewel de wijziging van de Subsidieregeling een verbetering is, biedt deze voor de stichting onvoldoende zekerheid. Er bestaat nog steeds ongelijkheid tussen monumentencomplexen die twintig monumentnummers kennen en die dat niet hebben. Het begrip zelfstandig onderdeel is daarbij niet duidelijk gedefinieerd. Bovendien kan bij een wijziging van de Subsidieregeling, de toevoeging ‘of zelfstandige onderdelen’ in de toekomst ook weer teruggedraaid worden. In een dergelijk geval zou de stichting geen rechtsmiddel hebben om voor haar belangen op te komen. Met betrekking tot de open stal bij de duiventoren legt de stichting zich bij het besluit van de minister neer. Beoordeling van het beroep 8. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 8 mei 2024, kan aan een object op twee manieren de beschermende werking van de Monumentenwet 1988 toekomen: door het object op te nemen in een reeds bestaande redengevende omschrijving zonder eigen monumentnummer, het zogenoemde bijbeschermen, of door het object zelfstandig aan te wijzen als monument, waarna het een eigen monumentnummer krijgt. 9. De minister heeft in het besluit van 29 oktober 2024 bevestigd dat hij in het verleden niet eenduidig is omgegaan met het aanwijzen van monumenten, omdat in sommige gevallen objecten niet zelfstandig zijn aangewezen als monument, terwijl dit in andere gevallen, bij een vergelijkbaar object, wel is gebeurd. In vergelijking met deze laatste gevallen is sprake van een ongelijk