Rechtspraak Raad van State 2026-03-11
ECLI:NL:RVS:2026:1382
202404416/1/R3. Datum uitspraak: 11 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend in Maasland, gemeente Midden-Delfland, appellanten, tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 5 januari 2023 en 29 mei 2024 in zaak nr. 21/3173 in het geding tussen: [appellanten] en het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland. Procesverloop Bij besluit van 3 januari 2017 heeft het college een handhavingsverzoek van [appellanten] afgewezen (het afwijzingsbesluit). Bij besluit van 30 oktober 2017 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het besluit op bezwaar 2017). Bij uitspraak van 26 juli 2018 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar 2017 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen (de uitspraak 2018). Bij besluit van 4 december 2019 heeft het college het bezwaar van [appellanten] opnieuw ongegrond verklaard (het besluit op bezwaar 2019). Bij uitspraak van 25 januari 2021 heeft de rechtbank onder meer het door [appellanten] daartegen gerichte beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar 2018 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen (de uitspraak 2021). Bij besluit van 16 maart 2021 heeft het college het bezwaar van [appellanten] opnieuw ongegrond verklaard (het besluit op bezwaar 2021). [appellanten] hebben beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar 2021. Dit beroep is behandeld op een zitting van de rechtbank van 24 november 2022. Bij uitspraak van 5 januari 2023 (de uitspraak 2023) heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (de STAB) gevraagd om een deskundigenbericht uit te brengen. Alle verdere beslissingen zijn door de rechtbank aangehouden. Bij uitspraak van 29 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] tegen het besluit op bezwaar 2021 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten (de uitspraak 2024). Tegen de uitspraken van 5 januari 2023 en 29 mei 2024 hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [partij A] en [partij B] hebben ook een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellanten] hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 oktober 2025. Daar zijn [appellanten] en het college verschenen. [appellanten] zijn bijgestaan door mr. D. Pool, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, en vergezeld door ir. A. de Gruyl. Het college is vertegenwoordigd door mr. S.H.G.W. Stigter, advocaat in Zoetermeer, en M. Schellingerhout. Ook [partij A] is op de zitting als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving ziet mede op overtreding van de Wabo en is gedaan op 16 november 2016. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding De verbouwing 2. In 2011 is de woning aan de [locatie 1] in Maasland (de woning) intern verbouwd. De verbouwing is onder meer uitgevoerd in een ruimte die zich bevindt aan de zuidkant van de woning. Deze ruimte grenst aan de woning van [appellanten] aan de [locatie 2]. In deze ruimte is een dragende wand vervangen door balken. Eén balk loopt evenwijdig aan de zijmuur tussen de woni Zijn de in het rapport van Goudstikker-de Vries van 9 juli 2012 en het aanvullende rapport van 8 oktober 2012 omschreven benodigde aanpassingen daadwerkelijk uitgevoerd en wordt voldaan aan de constructie- en draagkrachtberekeningen zoals geformuleerd in die rapporten? 2. Voor zover de in de rapporten van Goudstikker-de Vries genoemde aanpassingen niet dan wel op andere wijze zijn uitgevoerd, voldoet de huidige draagconstructie aan de constructie- en draagkrachtberekeningen uit de rapporten van Goudstikker-de Vries? 8. De STAB heeft op 13 juni 2023 een deskundigenbericht uitgebracht. Daarin concludeert de STAB dat de door Goudstikker-de Vries omschreven benodigde aanpassingen op verschillende onderdelen niet zijn uitgevoerd. De STAB concludeert op grond van eigen berekeningen echter dat de draagconstructie aan de bepalingen in het Bouwbesluit 2012 voldoet en daarmee voldoende weerstand biedt tegen de erop werkende krachten. De uitspraak 2024 9. In de uitspraak 2024 oordeelt de rechtbank eerst dat de beroepsgrond niet slaagt dat het handhavingsverzoek meer omvatte dan de constructieve veiligheid van de woning. Gelet op de reikwijdte van het handhavingsverzoek heeft de rechtbank de STAB uitsluitend om advies gevraagd over de aanpassingen van de hoofddraagconstructie van de woning op [locatie 1]. De rechtbank oordeelt dat de STAB zich dan ook terecht heeft beperkt tot het beantwoorden van de door de rechtbank geformuleerde onderzoeksvragen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de STAB geen kennis heeft kunnen nemen van het procesdossier en de door partijen beschikbaar gestelde informatie. In wat [appellanten] hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het onderzoek door de STAB over de evenwijdig aan de gevel liggende balk. De rechtbank ziet geen aanleiding het STAB-advies in zoverre niet te volgen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een nader onderzoek door de STAB. De rechtbank stelt vast dat de STAB heeft geconcludeerd dat de uitgevoerde aanpassingen op een aantal punten van de rapporten van Goudstikker — de Vries afwijken. Dat betekent dat [appellant B] de interne aanpassingen van de hoofddraagconstructie niet heeft uitgevoerd overeenkomstig de omgevingsvergunning 2012 en dat dus niet overeenkomstig die vergunning is gebouwd. Hieruit volgt dat het beroep gegrond is en dat het besluit op bezwaar 2021 voor vernietiging in aanmerking komt. Maar de rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar 2021 in stand te laten, omdat uit de controleberekeningen van de STAB blijkt dat de huidige hoofddraagconstructie in het pand van belanghebbende (de woning aan de [locatie 1] ) voldoende veilig is volgens het Bouwbesluit 2012. Naar het oordeel van de rechtbank is handhavend optreden daarmee onevenredig tot de daarmee te dienen belangen. In deze concrete situatie kan de afwijzing van het verzoek om handhaving daarom in stand blijven. 10. [appellanten] kunnen zich niet vinden in deze uitspraak, onder meer omdat de rechtbank het geschil volgens hen ten onrechte heeft beperkt tot de discussie over de hoofddraagconstructie en ook niet vaststaat dat de hoofddraagconstructie constructief veilig is. De hogerberoepsgronden De omvang van het geding 11. [appellanten] betogen dat de rechtbank de omvang van het geding ten onrechte beperkt heeft tot de constructieve veiligheid. Zij voeren daarvoor aan dat uit het handhavingsverzoek en het bezwaarschrift blijkt dat ook verzocht is om handhavend op te treden tegen de overkapping van een voormalige steeg tussen de [locatie 2] en [locatie 1], waarbij illegaal over de erfgrens heen is gebouwd en is aangesloten op hun woning. Daarom stellen zij dat wat zij over de overkapping naar voren hebben gebracht niet is aan te merken als nieuwe beroepsgrond. Zij voeren verder aan dat het vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting ook onwenselijk is als een nieuwe pro 12.1. Als de bestuursrechter twijfelt over de juistheid van de advisering die het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, heeft hij de mogelijkheid om een deskundige te benoemen (artikel 8:47 van de Awb). De bestuursrechter mag in beginsel afgaan op de inhoud van het advies van de door hem benoemde deskundige. Dat is anders als dat advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of andere gebreken bevat. 12.2. De Afdeling zal hieronder eerst ingaan op de balk en daarna op de zijmuur. - de balk 12.3. In het deskundigenbericht van de STAB staat over de balk in de zijmuur het volgende: "De koof boven het raam is 370 mm hoog. Het bovenste deel van 220 mm is door Moerman tijdens de inspectie van 10 maart 2021 weggehaald. Het onderste deel van 150 mm is blijven zitten. Op basis van de foto van de bevestiging (figuur 4-5) concludeert de STAB dat de balk niet helemaal tot onder in de koof doorloopt. Dit betekent dat de balk naar schatting, afgeschaald op de foto's, 200 à 225 mm hoog is. Een dergelijke afmeting is, in tegenstelling tot een balk van 150*300 mm, goed verkrijgbaar. Op de in Figuur 4-10 overgenomen foto's is duidelijk te zien dat er geen andere balk achter deze balk aanwezig is. Er is kalkzandsteen metselwerk te zien. Het is onwaarschijnlijk en onlogisch dat achter het metselwerk, in de spouw, nog een balk aanwezig is. Het aanbrengen van een balk in de spouw is vanuit oogpunt van duurzaamheid zeer ongewenst. Bovendien zou een balk met de aangegeven afmeting niet in de spouw passen en zou deze overmatig zwaar zijn voor de op te vangen belasting. De koof is weliswaar hoger dan de balk, maar dit komt omdat de zijkant van de koof tot aan het plafond is doorgetrokken, wat de STAB niet onlogisch voorkomt. De STAB is ervan overtuigd dat de doorgezaagde balk de balk is die volgens de berekeningen van Goudstikker-de Vries doorgezaagd zou moeten worden en concludeert dan ook dat dit onderdeel conform de vergunning is uitgevoerd. De STAB vindt verder onderzoek op dit punt daarom niet noodzakelijk." 12.4. De STAB heeft aan de hand van het aanwezige fotomateriaal inzichtelijk gemaakt dat er geen tweede balk te zien is achter de aanwezige balk. Daar is namelijk metselwerk te zien. De STAB heeft verder onderbouwd waarom het onwaarschijnlijk en onlogisch is dat er achter het metselwerk nog een tweede balk aanwezig zou zijn, zoals [appellanten] veronderstellen. De STAB is ervan overtuigd dat de doorgezaagde balk de balk is die volgens de berekeningen van Goudstikker - de Vries doorgezaagd zou moeten worden. De Afdeling ziet in de door [appellanten] gegeven toelichting, tekeningen en foto’s geen aanleiding om te twijfelen aan deze conclusies van de STAB. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank dan ook terecht geen concrete aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het onderzoek door de STAB ten aanzien van de evenwijdig aan de gevel liggende balk. Daarom mocht de rechtbank uitgaan van het deskundigenbericht van de STAB op dit punt. Het betoog slaagt in zoverre niet. - de zijmuur 12.5. De STAB heeft in haar deskundigenbericht in figuren 3-3 en 3-4 tekeningen weergegeven die behoren bij de omgevingsvergunning 2012. Daarop zijn de plattegrond van de begane grond, het gevelaanzicht en een doorsnede van de woning in de nieuwe toestand weergegeven. Daarop is één muur te zien tussen de woningen op [locatie 2] en [locatie 1]. Dit is de muur op as 4. Uit de doorsnede van de nieuwe toestand blijkt dat de muur op as 4 de zijmuur is van de woning op [locatie 2]. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de feitelijke situatie op dit punt in strijd was met de omgevingsvergunning 2012. De STAB heeft de berekeningen waaruit zij concludeert dat de draagconstructie voldoet aan de eisen in het Bouwbesluit 2012 ook niet gebaseerd op een ander uitgangspunt. Zoals de rechtbank onder 9.1 heeft overwogen zijn deze berekeningen neergelegd in Appendix 1 bij het STAB-adv