Rechtspraak Raad van State 2026-03-11
ECLI:NL:RVS:2026:1366
202207030/1/A3. Datum uitspraak: 11 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 oktober 2022 in zaak nr. 22/233 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Procesverloop Bij besluit van 29 november 2021 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om omzetting of verlening van een ontheffing van het ligplaatsverbod in Zijkanaal B te Velserbroek, afgewezen. Tegen dit besluit heeft [appellant] rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij de rechtbank ingesteld. De minister heeft hiermee ingestemd. Bij uitspraak van 14 oktober 2022 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] gegrond verklaard, het besluit van 29 november 2021 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 21 november 2022 heeft de minister de aanvraag van [appellant] opnieuw afgewezen. [appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 21 november 2022. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 oktober 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.R. Duurland, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] woonde sinds 1991 op het woonschip "Claes van Kyten" op [locatie] in Zijkanaal B. Zijkanaal B is een zijtak van het Noordzeekanaal. Op 13 juli 2010 is aan hem ambtshalve ontheffing verleend voor het innemen van een ligplaats met dat woonschip. Tot 2015 heeft [appellant] gebruik gemaakt van de ligplaats. Op 26 mei 2015 is door medewerkers van Rijkswaterstaat (hierna: RWS) geconstateerd dat het woonschip aan het zinken was door de slechte staat en een gebrek aan onderhoud. Aan [appellant] is spoedeisende bestuursdwang aangezegd en hem is meegedeeld dat op zijn kosten alle noodzakelijke maatregelen ter bescherming van het oppervlaktewater zouden worden genomen. Diezelfde dag heeft [appellant] een afstandsverklaring voor zijn woonschip ondertekend, waarmee de eigendom van het woonschip werd overgedragen aan de minister. Het woonschip is op 17 juni 2015 overgedragen aan een sloopbedrijf. 2. Vanaf mei 2015 tot 16 maart 2020 heeft [appellant] in een caravan op de oever van [locatie] gewoond. Vanaf dat moment heeft hij met het woonschip "Vooranker", eigendom van [partij], ligplaats ingenomen op de [locatie]. Op 5 november 2021 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om hem ontheffing te verlenen van het ligplaatsverbod in Zijkanaal B voor het woonschip "Vooranker" op de locatie [locatie], of de eerder op zijn naam afgegeven ontheffing voor het woonschip "Claes van Kyten" om te zetten op naam van "Vooranker". Besluitvorming 3. De minister heeft de aanvraag van [appellant] om omzetting of verlening van een ontheffing van het ligplaatsverbod afgewezen. De weigering is gebaseerd op artikel 9.03, zesde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: BPR). De in het BPR opgenomen bepalingen strekken blijkens artikel 1 van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement en de toelichting daarop tot bescherming van de veiligheid en vlotheid van het scheepvaartverkeer op voor de scheepvaart openstaande openbare wateren. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de in 2010 aan [appellant] verleende ontheffing niet kan worden omgezet naar het woonschip "Vooranker", omdat die ontheffing zaaksgebonden was en dus alleen gold voor het woonschip "Claes van Kyten". Nu dat woonschip vernietigd is, heeft de ontheffing geen rechtsgevolg meer. Daarnaast weigert de minister [appellant] een nieuwe ontheffing te verlenen, omdat bij zijn gebruik van de oude ontheffing is gebleken dat hij niet in staat is hiervan gebruik te maken zonder het waterstaatsnetwerk en het scheepvaa Het woonschip "Vooranker" zou in 2020 worden afgevoerd uit Zijkanaal B omdat [partij] hier geen gebruik meer van wilde maken. Dit bevond zich toen al niet in goede staat en had onderhoud nodig. Dit is vastgesteld door een inspecteur van RWS. Sindsdien heeft er geen onderhoud of inspectie door een deskundige plaatsgevonden. [partij] heeft hier ook niet de financiële middelen voor. Dat hij niet in staat maar ook niet bereid is om onderhoud te plegen, volgt volgens de minister uit het feit dat het woonschip "Vooranker" niet is aangesloten op de riolering. Dat "Vooranker" van beton is in plaats van staal, zoals de "Claes van Kyten", maakt de situatie niet anders, omdat ook een betonnen boot uiteindelijk onderhoud nodig heeft. De minister is dan ook van mening dat [appellant] door een gebrek aan financiële middelen en kundigheid het scheepvaartverkeer in gevaar zal brengen en er een te grote kans is op schade aan de vaarweg. Tot slot kan aan [appellant] geen voorrang worden verleend ten opzichte van andere geïnteresseerden in de ligplaats, alleen omdat [appellant] al illegaal ligplaats heeft ingenomen. Gronden 10. [appellant] voert aan dat de pogingen van de minister om hem weg te krijgen uit Zijkanaal B een schending zijn van zijn recht op een waardig leven en het recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer. Daarnaast klopt de weergave door de minister van de gebeurtenissen rondom het woonschip "Claes van Kyten" in 2015 niet en is het niet aan [appellant] te wijten dat het woonschip "Vooranker" niet is aangesloten op de riolering. RWS heeft namelijk geweigerd de ligplaats van [appellant] in te richten met goede aanmeervoorzieningen en een aansluitpunt voor het riool, drinkwater en elektra, vanwege de in 2015 tegen hem aangespannen ontruimingsprocedure. Verder voert [appellant] aan dat de minister de afwijzing van de aanvraag voor een ligplaatsontheffing opnieuw grotendeels baseert op de situatie in 2015. De rechtbank heeft echter al geoordeeld dat deze motivering onvoldoende is. Voor zover de minister stelt dat [appellant] ook nu niet in staat blijkt het woonschip te onderhouden en er een grote kans is dat [appellant] daardoor het scheepvaartverkeer in gevaar zal brengen, is alleen verwezen naar een inspectierapport van 15 november 2022 en een algemene website over woonboten. Volgens [appellant] heeft de toezichthouder die de inspectie op 15 november 2022 heeft uitgevoerd onvoldoende kennis over scheepsbouwkunde om op basis van dat inspectierapport tot de conclusie te komen dat [appellant] de scheepvaartbelangen in gevaar brengt. Tot slot voert [appellant] aan dat, als er al een gebrek aan onderhoud zou bestaan en dat problematisch zou worden, dit geen reden is voor de weigering van een ligplaatsontheffing. Dit kan mogelijk alleen maar reden zijn voor de minister om een last onder bestuursdwang op te leggen. Beoordeling van het beroep 10.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gang van zaken in 2015 geen zodanige strijd met de scheepvaartbelangen opleverde dat de ontheffing daarom geweigerd moest worden. De minister heeft geen hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak van de rechtbank. De Afdeling zal daarom alleen beoordelen of de minister de ontheffing mocht weigeren op grond van de feiten en omstandigheden ten tijde van het besluit van 21 november 2022. 10.2. De Afdeling is van oordeel dat de minister de weigering van de ligplaatsontheffing in het besluit van 21 november 2022 voldoende gemotiveerd heeft. Daartoe is van belang dat het woonschip "Vooranker" al niet in goede staat verkeerde en onderhoud nodig had toen [partij] dit woonschip in 2020 verving voor een nieuw woonschip en [appellant] "Vooranker" van hem overnam. Niet is gebleken dat [appellant] daarna daaraan onderhoud heeft verricht. De Afdeling volgt de minister in het standpunt dat voor alle boten geldt dat een gebrek aan onderhoud leidt tot schade. Dat dit bij een betonnen boot langer kan duren dan bij een die is gemaakt van andere materialen, doet