Rechtspraak
Raad van State
2026-03-10
ECLI:NL:RVS:2026:1336
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
3,205 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:1336 text/xml public 2026-03-23T11:54:53 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-10 202504395/2/R2 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2025:3824, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1336 text/html public 2026-03-10T08:23:45 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1336 Raad van State , 10-03-2026 / 202504395/2/R2 Bij besluit van 1 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg aan de Stichting WonenBreburg onder voorschriften omgevingsvergunning verleend voor het kappen van tien bomen aan de Bijsterveldenlaan te Tilburg. Verzoekers wonen vlakbij de beoogde bouwlocatie. Zij hebben hoger beroep ingesteld omdat zij niet willen dat de bomen worden gekapt en de groene uitstraling van hun woonomgeving wordt aangetast. 202504395/2/R2. Datum uitspraak: 10 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van: [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D] en [verzoeker E], allen wonend in Tilburg, verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 19 juni 2025 in zaak nrs. 25/1322 en 25/1857 in het geding tussen: [wederpartij A], [wederpartij B], [wederpartij C], Sportclub ’t Zand, [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D] en [verzoeker E], en het college van burgemeester en wethouders van Tilburg. Procesverloop Bij besluit van 1 december 2023 heeft het college aan de Stichting WonenBreburg (hierna: de stichting) onder voorschriften omgevingsvergunning verleend voor het kappen van tien bomen aan de Bijsterveldenlaan te Tilburg. Bij besluit van 11 februari 2025 heeft het college het onder meer door [wederpartij A], [wederpartij B], [wederpartij C], Sportclub ’t Zand, [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D] en [verzoeker E] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 1 december 2023 onder aanvulling van de voorschriften in stand gelaten, met dien verstande dat de gevraagde kapvergunning wordt verleend voor negen bomen op de percelen AF5250 en AF6763. Bij uitspraak van 19 juni 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij A], [wederpartij B], [wederpartij C], Sportclub ’t Zand, [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D] en [verzoeker E] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D] en [verzoeker E] hoger beroep ingesteld. Tevens hebben [verzoeker A], [verzoeker C], [verzoeker D] en [verzoeker E] (hierna: verzoekers) de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Verzoekers hebben nadere stukken ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de stichting een reactie ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 24 februari 2026, waar [verzoeker A], [verzoeker D] en [verzoeker E], bijgestaan door [gemachtigde A] en mr. J.H.D. Elings, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A. Wouters en F. Loonen, zijn verschenen. Verder is op de zitting de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde B] bijgestaan door mr. A.W.M. Oremans, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord. Overwegingen 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. 2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure Inleiding 3. Het college heeft bij besluit van 17 januari 2023 omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 98 tijdelijke huurwoningen (hierna: flexwoningen) aan de Bijsterveldenlaan in Tilburg voor een periode van 15 jaar. De woningen zijn bedoeld voor mensen die snel een huis nodig hebben, zoals starters op de woningmarkt, mensen met vitale beroepen, ouders in scheiding of statushouders. Het complex bestaat uit drie en vier bouwlagen met éénkamerstudio's en twee- of driekamerappartementen. Het door verzoekers ingestelde beroep tegen het besluit op bezwaar van 12 februari 2025 over de omgevingsvergunning voor de bouw van de flexwoningen heeft de rechtbank bij uitspraak van 15 september 2025 ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De uitspraak van de rechtbank die in deze procedure ter voorlopige beoordeling voorligt heeft betrekking op de beslissing op bezwaar van 11 februari 2025 over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het kappen van negen bomen op het bouwperceel. Verzoekers wonen vlakbij de beoogde bouwlocatie. Zij hebben hoger beroep ingesteld omdat zij niet willen dat de bomen worden gekapt en de groene uitstraling van hun woonomgeving wordt aangetast. Het verzoek om voorlopige voorziening 4. Verzoekers verwijzen bij hun verzoek om voorlopige voorziening naar hun aangevoerde hoger beroepsgronden. Daarin betogen zij dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende heeft onderzocht of er alternatieven zijn voor het kappen van de bomen en dat het college ten onrechte de gevonden alternatieven redelijkerwijs niet uitvoerbaar heeft geacht als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Bomenverordening Gemeente Tilburg 2021. Verzoekers voeren daartoe aan dat met diverse aanpassingen van het bouwplan, zoals het verschuiven van de bouwvlakken of het opsplitsen van het gebouw in drie losse gebouwen een groot deel van de bomen behouden zou kunnen worden. Ook is er volgens verzoekers ten onrechte niet naar alternatieven voor het bouwplan gekeken en is onvoldoende onderzocht of de te kappen bomen verplaatst hadden kunnen worden. Verder betogen verzoekers in hoger beroep onder verwijzing naar de door hen aangedragen alternatieven dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van een zeer zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang dat zwaarder weegt dan het duurzaam behoud van de houtopstand als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Bomenverordening. 4.1. Volgens artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, gelezen in verbinding met artikel 2.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het vellen van een houtopstand slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening. Volgens artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening Gemeente Tilburg 2021 bezien in verbinding met de Boomwaardezoneringskaart als bedoeld in dat artikel, staan de 9 bomen binnen een Ecowaarde zone als bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, van de Bomenverordening. Niet in geschil is dat deze bomen een stamomtrek hebben van meer dan 40 cm als bedoeld in artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b. Hieruit vloeit voort dat het op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, verboden is deze bomen te vellen. In artikel 4, eerste lid, is bepaald dat het bevoegd gezag ontheffing kan verlenen om houtopstanden als bedoeld in artikel 3 eerste lid te vellen, dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen. In artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het vellen binnen een Ecowaardezone, slechts bij uitzondering kan worden verleend nadat alternatieven voldoende zijn onderzocht maar redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn, indien een zeer zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang zwaarder weegt dan duurzaam behoud van de houtopstand of sprake is van dunning. 4.2. Volgens het college is bij het alternatievenonderzoek voor de beoogde flexwoningen ook gekeken naar de mogelijkheden voor het duurzaam behoud van bomen. Gebleken is dat er geen andere locaties waren die als beter alternatief naar voren kwamen.
Volledig
Er is volgens het college is sprake van een zeer zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang bij de 98 tijdelijke flexwoningen voor mensen die snel een woning nodig hebben en het college heeft dat belang zwaarder laten wegen dan het belang van het behoud van deze negen bomen. Het college verwijst verder naar een verslag van een ambtelijk overleg van 10 oktober 2023, waaruit blijkt dat het college verschillende alternatieven voor de indeling van het perceel heeft onderzocht en het uitgangspunt is geweest zo veel mogelijk bomen te behouden. Het college heeft in de omgevingsvergunning een herplantverplichting opgenomen op grond waarvan een herplant plaats moet vinden van ten minste tien bomen in de directe omgeving van de te kappen bomen, waarvan ten minste zeven stuks zoals aangegeven op een herplant-tekening bij het besluit van 1 december 2023. De herplant dient volgens het college plaats te vinden binnen twee jaar na kapdatum en bestaat uit bomen van de eerste of tweede grootteklasse met minimale aanplantmaat 18-20 cm omtrek op 130 cm hoogte. Het college heeft de te kappen bomen ook laten taxeren en heeft aan de hand daarvan vastgesteld dat de bomen een waarde vertegenwoordigen van € 22.477,50. Ter compensatie van de bomen dient volgens het college dat bedrag te worden gestort in het bomenfonds van de gemeente. 4.3. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in wat verzoekers naar voren hebben gebracht geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de omgevingsvergunning voor het kappen van negen bomen niet mocht worden verleend. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat het mocht uitgaan van de aanvraag op de bouw van de tijdelijke flexwoningen waarvoor bij besluit van 17 januari 2023 omgevingsvergunning is verleend en dat artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, van de Bomenverordening niet verplicht tot het opnieuw uitwerken en motiveren waarom ten hoeve van de bouw van die tijdelijke flexwoningen voor deze locatie is gekozen en welk onderzoek is verricht naar alternatieve bouwlocaties. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat alternatieve indelingen van de bouwlocatie zijn onderzocht en waarom die alternatieven en de door verzoekers genoemde alternatieven redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekers hebben aangevoerd ook geen aanleiding om aan te nemen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in het besluit op bezwaar van 11 februari 2025 deugdelijk heeft gemotiveerd dat vanwege de woningnood in Nederland sprake is van een zeer zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang dat is gediend bij het kappen van de negen bomen ten behoeve van de bouw van de 98 tijdelijke flexwoningen. Het college heeft deugdelijk gemotiveerd dat dit zeer zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang redelijkerwijs zwaarder weegt dan het belang bij het behoud van de negen bomen. Het college heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat uit de Bomen Effect Analyse, die deel uitmaakt van het besluit van 1 december 2023, is gebleken dat één van de bomen een goede conditie heeft en dat de overige bomen een redelijke conditie hebben. Daarbij komt dat geen van de bomen is opgenomen op de Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen en dat de bomen ecowaarde hebben vanwege het gebied waarin zij gelegen zijn en niet vanwege de ecologische waarde van de bomen zelf. De ecowaarde van het gebied wordt voldoende gewaarborgd doordat een herplantplicht is opgelegd voor tien bomen die moeten voldoen aan bepaalde kwaliteits- en omvangeisen. In wat verzoekers verder hebben aangevoerd over verplaatsing van de bomen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het college redelijkerwijs niet tot een herplantplicht heeft kunnen besluiten. 5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier. w.g. Van den Biggelaar voorzieningenrechter w.g. Van Leeuwen griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026 543