Rechtspraak
Raad van State
2026-03-12
ECLI:NL:RVS:2026:1326
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
12,215 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:1326 text/xml public 2026-03-23T15:28:55 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-12 202404322/1/V2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1326 text/html public 2026-03-09T13:59:31 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1326 Raad van State , 12-03-2026 / 202404322/1/V2 Bij besluit van 4 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Appellant heeft de Iraanse nationaliteit. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afvallige is, omdat hij zich heeft afgewend van zijn geloof in de islam en atheïst is geworden. Ook heeft hij in Iran deelgenomen aan demonstraties in 2022. Nadat hij naar Nederland is gegaan, zijn er in Iran twee mannen aan zijn deur geweest die naar hem hebben gevraagd. Appellant vreest daarom in het vizier van de Iraanse autoriteiten te zijn gekomen. De minister heeft de asielaanvraag van appellant afgewezen. Hij acht het geloofwaardig dat appellant afvallige is, dat hij atheïst is en dat hij heeft deelgenomen aan demonstraties. De minister acht het ongeloofwaardig dat de Iraanse autoriteiten het huis van appellant hebben bezocht. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat van appellant terughoudendheid verwacht mag worden bij het uiten van zijn afvalligheid en atheïsme en dat hij daarom bij terugkeer niet heeft te vrezen voor vervolging. 202404322/1/V2. Datum uitspraak: 12 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 juli 2024 in zaak nr. NL24.23449 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 4 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 8 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. De minister heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd en nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 202500442/1/V2 ter zitting behandeld op 4 november 2025, waar appellant, bijgestaan door mr. M. Gavami, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. T.L. Schuitemaker en mr. J.V. de Kort, zijn verschenen. Verder is N. Vakili als tolk verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Appellant heeft de Iraanse nationaliteit. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afvallige is, omdat hij zich heeft afgewend van zijn geloof in de islam en atheïst is geworden. Ook heeft hij in Iran deelgenomen aan demonstraties in 2022. Nadat hij naar Nederland is gegaan, zijn er in Iran twee mannen aan zijn deur geweest die naar hem hebben gevraagd. Appellant vreest daarom in het vizier van de Iraanse autoriteiten te zijn gekomen. 1.1. De minister heeft de asielaanvraag van appellant afgewezen. Hij acht het geloofwaardig dat appellant afvallige is, dat hij atheïst is en dat hij heeft deelgenomen aan demonstraties. De minister acht het ongeloofwaardig dat de Iraanse autoriteiten het huis van appellant hebben bezocht. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat van appellant terughoudendheid verwacht mag worden bij het uiten van zijn afvalligheid en atheïsme en dat hij daarom bij terugkeer niet heeft te vrezen voor vervolging. 1.2. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de risico’s die afvallige en atheïstische vreemdelingen, of vreemdelingen aan wie afvalligheid of atheïsme wordt toegedicht, lopen bij terugkeer naar Iran. Deze uitspraak heeft uit oogpunt van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming in algemene zin en door de fundamentele aard van de rechtsvragen die worden behandeld, een algemene, zaaksoverstijgende strekking. Daarom geeft de Afdeling in deze uitspraak ook een uitgebreide en algemeen geformuleerde motivering (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3735, onder 1.1). 1.3. De Afdeling betrekt om deze reden bij haar oordeel ook stukken waarop partijen pas na de uitspraak van de rechtbank een beroep hebben gedaan. Deze toetsing beperkt zich, gelet op de artikelen 8:65, eerste lid, en 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht tot het moment van sluiting van het onderzoek ter zitting bij de Afdeling op 4 november 2025 (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054). 1.4. De Afdeling benadrukt dat bij deze uitspraak geen wijzigingen in de veiligheidssituatie in Iran zijn betrokken die zich na de sluiting van het onderzoek ter zitting hebben voorgedaan. Leeswijzer 2. De Afdeling behandelt hierna aan de hand van wat op de zitting bij de Afdeling aan de orde is geweest de in deze zaak te beantwoorden vragen. Daarbij geeft zij onder 3 eerst het juridische kader weer. Daarna bespreekt zij onder 4 het hoger beroep van appellant. Vervolgens bespreekt de Afdeling, aan de hand van de door partijen aangevoerde informatie, de feitelijke situatie voor afvalligen en atheïsten in Iran. Daarbij gaat zij onder 5 eerst in op de situatie waarin zij mogelijk terechtkomen bij aankomst op de luchthaven in Iran. Vervolgens bespreekt de Afdeling onder 6 de algemene situatie in Iran voor afvalligen en atheïsten. Onder 7 geeft de Afdeling een oordeel over de daarvoor weergegeven landeninformatie en past zij dit toe op het hoger beroep van appellant. Tot slot volgt onder 8 de conclusie. Juridisch kader 3. De Afdeling heeft eerder overwogen dat afvalligheid en atheïsme beide zijn aan te merken als een geloofsovertuiging (zie de uitspraak van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1968). Een vreemdeling die vreest voor vervolging wegens afvalligheid of atheïsme wordt dus beschermd door artikel 1a, aanhef en onder (2), van het Vluchtelingenverdrag, artikel 10 van de Kwalificatierichtlijn en artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In de uitspraak van 30 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5578, oordeelde de Afdeling, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012, ECLI:EU:C:2012:518, Y en Z, dat van een vreemdeling, van wie de minister de geloofsovertuiging geloofwaardig acht, niet kan worden verlangd dat hij zich in zijn land van herkomst terughoudend opstelt om vervolging te voorkomen. 3.1. In de uitspraken van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:93 en ECLI:NL:RVS:2022:94, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister niet deugdelijk had gemotiveerd dat een vreemdeling, van wie de (toegedichte) afvalligheid of het atheïsme geloofwaardig is geacht, bij terugkeer naar Iran geen risico loopt op vervolging of onmenselijke behandeling. De Afdeling heeft de minister in die uitspraken de opdracht gegeven om te onderzoeken hoe in Iran, waar afvalligheid strafbaar is, toepassing wordt gegeven aan deze regelgeving. De minister heeft daarbij ook de opdracht gekregen om nader te onderzoeken of, en in welke gevallen, de Iraanse autoriteiten verwachten dat een vreemdeling een verklaring ondertekent dat hij nog steeds moslim is. Na deze uitspraak heeft de minister vragen gesteld aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Die vragen hebben geresulteerd in het algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 (het ambtsbericht). Het hoger beroep van appellant 4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Iraanse autoriteiten op de dag van zijn aankomst in Nederland bij hem in Iran aan de deur zijn geweest. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant niet te vrezen heeft voor vervolging wegens zijn deelname aan demonstraties in 2022.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:1326 text/xml public 2026-04-29T08:31:16 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-12 202404322/1/V2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl JV 2026/83 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1326 text/html public 2026-03-09T13:59:31 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1326 Raad van State , 12-03-2026 / 202404322/1/V2 Bij besluit van 4 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Appellant heeft de Iraanse nationaliteit. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afvallige is, omdat hij zich heeft afgewend van zijn geloof in de islam en atheïst is geworden. Ook heeft hij in Iran deelgenomen aan demonstraties in 2022. Nadat hij naar Nederland is gegaan, zijn er in Iran twee mannen aan zijn deur geweest die naar hem hebben gevraagd. Appellant vreest daarom in het vizier van de Iraanse autoriteiten te zijn gekomen. De minister heeft de asielaanvraag van appellant afgewezen. Hij acht het geloofwaardig dat appellant afvallige is, dat hij atheïst is en dat hij heeft deelgenomen aan demonstraties. De minister acht het ongeloofwaardig dat de Iraanse autoriteiten het huis van appellant hebben bezocht. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat van appellant terughoudendheid verwacht mag worden bij het uiten van zijn afvalligheid en atheïsme en dat hij daarom bij terugkeer niet heeft te vrezen voor vervolging. 202404322/1/V2. Datum uitspraak: 12 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 juli 2024 in zaak nr. NL24.23449 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 4 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 8 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. De minister heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd en nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 202500442/1/V2 ter zitting behandeld op 4 november 2025, waar appellant, bijgestaan door mr. M. Gavami, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. T.L. Schuitemaker en mr. J.V. de Kort, zijn verschenen. Verder is N. Vakili als tolk verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Appellant heeft de Iraanse nationaliteit. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afvallige is, omdat hij zich heeft afgewend van zijn geloof in de islam en atheïst is geworden. Ook heeft hij in Iran deelgenomen aan demonstraties in 2022. Nadat hij naar Nederland is gegaan, zijn er in Iran twee mannen aan zijn deur geweest die naar hem hebben gevraagd. Appellant vreest daarom in het vizier van de Iraanse autoriteiten te zijn gekomen. 1.1. De minister heeft de asielaanvraag van appellant afgewezen. Hij acht het geloofwaardig dat appellant afvallige is, dat hij atheïst is en dat hij heeft deelgenomen aan demonstraties. De minister acht het ongeloofwaardig dat de Iraanse autoriteiten het huis van appellant hebben bezocht. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat van appellant terughoudendheid verwacht mag worden bij het uiten van zijn afvalligheid en atheïsme en dat hij daarom bij terugkeer niet heeft te vrezen voor vervolging. 1.2. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de risico’s die afvallige en atheïstische vreemdelingen, of vreemdelingen aan wie afvalligheid of atheïsme wordt toegedicht, lopen bij terugkeer naar Iran. Deze uitspraak heeft uit oogpunt van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming in algemene zin en door de fundamentele aard van de rechtsvragen die worden behandeld, een algemene, zaaksoverstijgende strekking. Daarom geeft de Afdeling in deze uitspraak ook een uitgebreide en algemeen geformuleerde motivering (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3735, onder 1.1). 1.3. De Afdeling betrekt om deze reden bij haar oordeel ook stukken waarop partijen pas na de uitspraak van de rechtbank een beroep hebben gedaan. Deze toetsing beperkt zich, gelet op de artikelen 8:65, eerste lid, en 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht tot het moment van sluiting van het onderzoek ter zitting bij de Afdeling op 4 november 2025 (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054). 1.4. De Afdeling benadrukt dat bij deze uitspraak geen wijzigingen in de veiligheidssituatie in Iran zijn betrokken die zich na de sluiting van het onderzoek ter zitting hebben voorgedaan. Leeswijzer 2. De Afdeling behandelt hierna aan de hand van wat op de zitting bij de Afdeling aan de orde is geweest de in deze zaak te beantwoorden vragen. Daarbij geeft zij onder 3 eerst het juridische kader weer. Daarna bespreekt zij onder 4 het hoger beroep van appellant. Vervolgens bespreekt de Afdeling, aan de hand van de door partijen aangevoerde informatie, de feitelijke situatie voor afvalligen en atheïsten in Iran. Daarbij gaat zij onder 5 eerst in op de situatie waarin zij mogelijk terechtkomen bij aankomst op de luchthaven in Iran. Vervolgens bespreekt de Afdeling onder 6 de algemene situatie in Iran voor afvalligen en atheïsten. Onder 7 geeft de Afdeling een oordeel over de daarvoor weergegeven landeninformatie en past zij dit toe op het hoger beroep van appellant. Tot slot volgt onder 8 de conclusie. Juridisch kader 3. De Afdeling heeft eerder overwogen dat afvalligheid en atheïsme beide zijn aan te merken als een geloofsovertuiging (zie de uitspraak van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1968). Een vreemdeling die vreest voor vervolging wegens afvalligheid of atheïsme wordt dus beschermd door artikel 1a, aanhef en onder (2), van het Vluchtelingenverdrag, artikel 10 van de Kwalificatierichtlijn en artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In de uitspraak van 30 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5578, oordeelde de Afdeling, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012, ECLI:EU:C:2012:518, Y en Z, dat van een vreemdeling, van wie de minister de geloofsovertuiging geloofwaardig acht, niet kan worden verlangd dat hij zich in zijn land van herkomst terughoudend opstelt om vervolging te voorkomen. 3.1. In de uitspraken van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:93 en ECLI:NL:RVS:2022:94, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister niet deugdelijk had gemotiveerd dat een vreemdeling, van wie de (toegedichte) afvalligheid of het atheïsme geloofwaardig is geacht, bij terugkeer naar Iran geen risico loopt op vervolging of onmenselijke behandeling. De Afdeling heeft de minister in die uitspraken de opdracht gegeven om te onderzoeken hoe in Iran, waar afvalligheid strafbaar is, toepassing wordt gegeven aan deze regelgeving. De minister heeft daarbij ook de opdracht gekregen om nader te onderzoeken of, en in welke gevallen, de Iraanse autoriteiten verwachten dat een vreemdeling een verklaring ondertekent dat hij nog steeds moslim is. Na deze uitspraak heeft de minister vragen gesteld aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Die vragen hebben geresulteerd in het algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 (het ambtsbericht). Het hoger beroep van appellant 4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Iraanse autoriteiten op de dag van zijn aankomst in Nederland bij hem in Iran aan de deur zijn geweest. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant niet te vrezen heeft voor vervolging wegens zijn deelname aan demonstraties in 2022.
Volledig
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat appellant problemen in Iran heeft ervaren wegens zijn afvalligheid en atheïsme. Uit de verklaringen van appellant volgt volgens de rechtbank niet dat hij zijn afvalligheid openlijk heeft geuit of wil uiten. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen deze oordelen. 4.1. Wat appellant in de eerste en tweede grief aanvoert, over het huisbezoek en de daaraan gerelateerde problemen, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 4.2. In zijn derde grief klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de risico’s die hij bij terugkeer op de luchthaven in Iran loopt. De Afdeling bespreekt nu eerst in algemene zin de informatie over de situatie van afvalligen en atheïsten in Iran zoals die uit het ambtsbericht en de door partijen overgelegde stukken volgt. Daarna gaat de Afdeling in op de betekenis van deze informatie voor het hoger beroep van appellant. De situatie bij aankomst op de luchthaven 5. Uit het ambtsbericht volgt dat vreemdelingen die terugkeren naar Iran, bij aankomst op het vliegveld problemen kunnen krijgen met de autoriteiten. Bij de controles op het vliegveld is volgens het ambtsbericht sprake van willekeur. Daarbij valt op dat personen die terugreizen met een laissez-passer, en dus niet in het bezit zijn van een Iraans paspoort, een groter risico lopen om ondervraagd te worden over hun verblijf in het buitenland. Ook volgt uit het ambtsbericht dat het een rol kan spelen of de autoriteiten weten dat iemand in het buitenland van religie is veranderd of dat iemand Iran heeft verlaten met als doel het aanvragen van asiel. Verder speelt een rol hoelang iemand is weggeweest uit Iran. Als iemand lang in het buitenland heeft verbleven, valt dit meteen op en is het risico groot dat hij bij aankomst zal worden ondervraagd over dat verblijf. Als iemand op de luchthaven wordt ondervraagd, kan dit volgens het ambtsbericht soms uren duren. De vraag of iemand bij terugkeer een document of verklaring moet ondertekenen om te bevestigen dat hij de islam nog aanhangt, kan volgens het ambtsbericht niet worden beantwoord wegens een gebrek aan informatie. Wel volgt uit een bron dat teruggekeerde asielzoekers het risico lopen om te worden gemonitord door de Iraanse autoriteiten. 5.1. De minister heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting een artikel van IranWire van 20 februari 2024 overgelegd. Daarin staat dat de Iraanse autoriteiten streng optreden tegen Iraniërs die deelnemen aan protestbijeenkomsten buiten Iran. Het artikel noemt vele recente incidenten waarbij de autoriteiten streng optreden, waaronder arrestaties wegens spionage, ondervragingen op luchthavens, inbeslagname en onderzoek van mobiele telefoons en laptops, inbeslagname van paspoorten en meldingen van Iraniërs die in het buitenland wonen en benaderd worden voor spionage. De minister wijst in het bijzonder op de in het artikel genoemde recente ontwikkelingen die suggereren dat de Iraanse autoriteiten hun aandacht inmiddels hebben verlegd naar personen die hebben deelgenomen aan een anti-Islamitische Republiek-bijeenkomst in Berlijn op 22 oktober 2022. 5.2. Appellant heeft, net als betrokkene in de gelijktijdig met deze zaak op de zitting behandelde zaak, verschillende stukken overgelegd. Daarbij heeft hij onder meer gewezen op de mailwisseling met Iran-deskundige Peyman Jafari. Daarin staat dat niet alle Iraniërs bij terugkeer op de luchthaven worden ondervraagd, maar dat het risico op ondervraging altijd groot is geweest. Voor dat grote risico geeft hij drie redenen. Allereerst kiezen de Iraanse autoriteiten bij twijfel voor ondervraging. Daarnaast is de kans op ondervraging groter als terugkeerders vrezen voor ondervraging, omdat de Iraanse autoriteiten getraind zijn op het aflezen van lichaamstaal. Tot slot is er een grote mate van willekeur bij het maken van de keuze om iemand te ondervragen. Jafari wijst erop dat de kans op ondervraging sinds de protesten in 2022 extreem is toegenomen, omdat de autoriteiten vrezen voor infiltratie uit het buitenland. Jafari stelt dat, als de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van het feit dat iemand in het buitenland asiel heeft aangevraagd, tijdens een ondervraging naar de reden zal worden gevraagd. Indien men te kennen geeft dat geloofsafval de reden was, wordt dit hoogstwaarschijnlijk als politieke daad tegen het systeem gezien. Volgens Jafari is de kans dan groot dat een terugkerende asielzoeker een zware straf opgelegd krijgt. 5.3. Appellant heeft daarnaast een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 23 april 2024 overgelegd, waarin wordt ingegaan op landeninformatie over Iran. In die brief staat dat de Iraanse autoriteiten via vrienden, familieleden en het monitoren van sms-berichten en socialmedia-accounts, op de hoogte kunnen raken van het feit dat iemand asiel heeft aangevraagd in het buitenland. Volgens een bron zullen de autoriteiten bijna alle terugkeerders van wie zij weten dat zij asiel hebben aangevraagd, ondervragen om te onderzoeken wat de reden voor de asielaanvraag was en of zij politieke of religieuze activiteiten hebben ondernomen. Ook komen er in toenemende mate berichten naar buiten waaruit blijkt dat personen onder druk worden gezet om de wachtwoorden van hun socialmedia-accounts af te geven. Verder staat in de brief dat terugkeerders soms onder druk worden gezet om te vertellen wat zij in het buitenland hebben gedaan. Als de autoriteiten bekend zijn met het feit dat iemand afvalligheid als asielmotief heeft gebruikt, moeten terugkeerders volgens een bron bewijzen dat zij geen afvalligen zijn. 5.4. De Afdeling gaat nu in op de algemene situatie van afvalligen en atheïsten in Iran. De situatie van afvalligen en atheïsten in Iran 6. Uit het ambtsbericht volgt dat het in Iran mogelijk is om bestraft te worden voor afvalligheid of atheïsme. In de praktijk komt dit volgens het ambtsbericht echter zelden voor. Het ambtsbericht noemt een voorbeeld van een 35-jarige demonstrant die op 3 januari 2023 door een rechtbank ter dood werd veroordeeld, onder meer vanwege zijn afvalligheid. Het hooggerechtshof heeft de zaak in hoger beroep teruggewezen naar een lagere rechtbank voor herziening. De vraag of het juist is dat, als een vreemdeling afvalligheid als asielmotief heeft aangevoerd en de autoriteiten dit weten, die persoon moet kunnen aantonen dat hij geen afvallige is, kan volgens het ambtsbericht niet worden beantwoord wegens een gebrek aan informatie. Wel verklaarde een bron dat afvalligheid kan worden benut als reden om een zwaardere straf op te leggen, wanneer iemand al een andere overtreding heeft begaan. 6.1. Uit het ambtsbericht volgt verder dat de Iraanse maatschappij in toenemende mate seculariseert. Uit een onderzoek dat in juni 2020 werd uitgevoerd, kwam naar voren dat 8,8% van de mensen zei atheïst te zijn en dat 22,2% van de mensen zei geen geloof te hebben. Iraniërs worden volgens het ambtsbericht over het algemeen niet maatschappelijk gedwongen om rituelen te volgen, zoals het rituele gebed. Wel is het in sommige gevallen strafbaar om niet deel te nemen aan religieuze activiteiten of om zich niet aan voorschriften te houden. Tijdens de ramadan is het bijvoorbeeld verboden om in het openbaar te eten of drinken en vrouwen moeten zich houden aan kledingvoorschriften. Iraniërs die niet deelnemen aan religieuze activiteiten, kunnen daarvoor strafrechtelijk worden vervolgd en kunnen te maken krijgen met allerlei beperkingen in het openbare leven. 6.2. Volgens het ambtsbericht komt iemand die zich heeft afgewend van de islam, niet op voorhand in de problemen. Het is vooral doorslaggevend hoe iemand zijn geloofsovertuiging uitdraagt en of iemand anderen voor een andere geloofsovertuiging probeert te winnen of het andere geloof of atheïsme voor zichzelf houdt.
Volledig
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat appellant problemen in Iran heeft ervaren wegens zijn afvalligheid en atheïsme. Uit de verklaringen van appellant volgt volgens de rechtbank niet dat hij zijn afvalligheid openlijk heeft geuit of wil uiten. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen deze oordelen. 4.1. Wat appellant in de eerste en tweede grief aanvoert, over het huisbezoek en de daaraan gerelateerde problemen, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 4.2. In zijn derde grief klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de risico’s die hij bij terugkeer op de luchthaven in Iran loopt. De Afdeling bespreekt nu eerst in algemene zin de informatie over de situatie van afvalligen en atheïsten in Iran zoals die uit het ambtsbericht en de door partijen overgelegde stukken volgt. Daarna gaat de Afdeling in op de betekenis van deze informatie voor het hoger beroep van appellant. De situatie bij aankomst op de luchthaven 5. Uit het ambtsbericht volgt dat vreemdelingen die terugkeren naar Iran, bij aankomst op het vliegveld problemen kunnen krijgen met de autoriteiten. Bij de controles op het vliegveld is volgens het ambtsbericht sprake van willekeur. Daarbij valt op dat personen die terugreizen met een laissez-passer, en dus niet in het bezit zijn van een Iraans paspoort, een groter risico lopen om ondervraagd te worden over hun verblijf in het buitenland. Ook volgt uit het ambtsbericht dat het een rol kan spelen of de autoriteiten weten dat iemand in het buitenland van religie is veranderd of dat iemand Iran heeft verlaten met als doel het aanvragen van asiel. Verder speelt een rol hoelang iemand is weggeweest uit Iran. Als iemand lang in het buitenland heeft verbleven, valt dit meteen op en is het risico groot dat hij bij aankomst zal worden ondervraagd over dat verblijf. Als iemand op de luchthaven wordt ondervraagd, kan dit volgens het ambtsbericht soms uren duren. De vraag of iemand bij terugkeer een document of verklaring moet ondertekenen om te bevestigen dat hij de islam nog aanhangt, kan volgens het ambtsbericht niet worden beantwoord wegens een gebrek aan informatie. Wel volgt uit een bron dat teruggekeerde asielzoekers het risico lopen om te worden gemonitord door de Iraanse autoriteiten. 5.1. De minister heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting een artikel van IranWire van 20 februari 2024 overgelegd. Daarin staat dat de Iraanse autoriteiten streng optreden tegen Iraniërs die deelnemen aan protestbijeenkomsten buiten Iran. Het artikel noemt vele recente incidenten waarbij de autoriteiten streng optreden, waaronder arrestaties wegens spionage, ondervragingen op luchthavens, inbeslagname en onderzoek van mobiele telefoons en laptops, inbeslagname van paspoorten en meldingen van Iraniërs die in het buitenland wonen en benaderd worden voor spionage. De minister wijst in het bijzonder op de in het artikel genoemde recente ontwikkelingen die suggereren dat de Iraanse autoriteiten hun aandacht inmiddels hebben verlegd naar personen die hebben deelgenomen aan een anti-Islamitische Republiek-bijeenkomst in Berlijn op 22 oktober 2022. 5.2. Appellant heeft, net als betrokkene in de gelijktijdig met deze zaak op de zitting behandelde zaak, verschillende stukken overgelegd. Daarbij heeft hij onder meer gewezen op de mailwisseling met Iran-deskundige Peyman Jafari. Daarin staat dat niet alle Iraniërs bij terugkeer op de luchthaven worden ondervraagd, maar dat het risico op ondervraging altijd groot is geweest. Voor dat grote risico geeft hij drie redenen. Allereerst kiezen de Iraanse autoriteiten bij twijfel voor ondervraging. Daarnaast is de kans op ondervraging groter als terugkeerders vrezen voor ondervraging, omdat de Iraanse autoriteiten getraind zijn op het aflezen van lichaamstaal. Tot slot is er een grote mate van willekeur bij het maken van de keuze om iemand te ondervragen. Jafari wijst erop dat de kans op ondervraging sinds de protesten in 2022 extreem is toegenomen, omdat de autoriteiten vrezen voor infiltratie uit het buitenland. Jafari stelt dat, als de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van het feit dat iemand in het buitenland asiel heeft aangevraagd, tijdens een ondervraging naar de reden zal worden gevraagd. Indien men te kennen geeft dat geloofsafval de reden was, wordt dit hoogstwaarschijnlijk als politieke daad tegen het systeem gezien. Volgens Jafari is de kans dan groot dat een terugkerende asielzoeker een zware straf opgelegd krijgt. 5.3. Appellant heeft daarnaast een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 23 april 2024 overgelegd, waarin wordt ingegaan op landeninformatie over Iran. In die brief staat dat de Iraanse autoriteiten via vrienden, familieleden en het monitoren van sms-berichten en socialmedia-accounts, op de hoogte kunnen raken van het feit dat iemand asiel heeft aangevraagd in het buitenland. Volgens een bron zullen de autoriteiten bijna alle terugkeerders van wie zij weten dat zij asiel hebben aangevraagd, ondervragen om te onderzoeken wat de reden voor de asielaanvraag was en of zij politieke of religieuze activiteiten hebben ondernomen. Ook komen er in toenemende mate berichten naar buiten waaruit blijkt dat personen onder druk worden gezet om de wachtwoorden van hun socialmedia-accounts af te geven. Verder staat in de brief dat terugkeerders soms onder druk worden gezet om te vertellen wat zij in het buitenland hebben gedaan. Als de autoriteiten bekend zijn met het feit dat iemand afvalligheid als asielmotief heeft gebruikt, moeten terugkeerders volgens een bron bewijzen dat zij geen afvalligen zijn. 5.4. De Afdeling gaat nu in op de algemene situatie van afvalligen en atheïsten in Iran. De situatie van afvalligen en atheïsten in Iran 6. Uit het ambtsbericht volgt dat het in Iran mogelijk is om bestraft te worden voor afvalligheid of atheïsme. In de praktijk komt dit volgens het ambtsbericht echter zelden voor. Het ambtsbericht noemt een voorbeeld van een 35-jarige demonstrant die op 3 januari 2023 door een rechtbank ter dood werd veroordeeld, onder meer vanwege zijn afvalligheid. Het hooggerechtshof heeft de zaak in hoger beroep teruggewezen naar een lagere rechtbank voor herziening. De vraag of het juist is dat, als een vreemdeling afvalligheid als asielmotief heeft aangevoerd en de autoriteiten dit weten, die persoon moet kunnen aantonen dat hij geen afvallige is, kan volgens het ambtsbericht niet worden beantwoord wegens een gebrek aan informatie. Wel verklaarde een bron dat afvalligheid kan worden benut als reden om een zwaardere straf op te leggen, wanneer iemand al een andere overtreding heeft begaan. 6.1. Uit het ambtsbericht volgt verder dat de Iraanse maatschappij in toenemende mate seculariseert. Uit een onderzoek dat in juni 2020 werd uitgevoerd, kwam naar voren dat 8,8% van de mensen zei atheïst te zijn en dat 22,2% van de mensen zei geen geloof te hebben. Iraniërs worden volgens het ambtsbericht over het algemeen niet maatschappelijk gedwongen om rituelen te volgen, zoals het rituele gebed. Wel is het in sommige gevallen strafbaar om niet deel te nemen aan religieuze activiteiten of om zich niet aan voorschriften te houden. Tijdens de ramadan is het bijvoorbeeld verboden om in het openbaar te eten of drinken en vrouwen moeten zich houden aan kledingvoorschriften. Iraniërs die niet deelnemen aan religieuze activiteiten, kunnen daarvoor strafrechtelijk worden vervolgd en kunnen te maken krijgen met allerlei beperkingen in het openbare leven. 6.2. Volgens het ambtsbericht komt iemand die zich heeft afgewend van de islam, niet op voorhand in de problemen. Het is vooral doorslaggevend hoe iemand zijn geloofsovertuiging uitdraagt en of iemand anderen voor een andere geloofsovertuiging probeert te winnen of het andere geloof of atheïsme voor zichzelf houdt.
Volledig
Toch kan volgens het ambtsbericht niet worden uitgesloten dat afvalligen een risico lopen op strafrechtelijke vervolging, ook zonder dat zij hun afvalligheid uitdragen. Dat is afhankelijk van de individuele omstandigheden in een zaak. Afvalligen kunnen daarnaast problemen ondervinden met het krijgen van een baan, het verkrijgen van een vergunning om een onderneming te starten of het volgen van onderwijs. Vrouwen die zich niet aan kledingvoorschriften houden, krijgen bijvoorbeeld geen toegang tot bepaalde openbare gelegenheden. 6.3. Appellant betoogt dat de informatie uit het ambtsbericht verouderd is. Hij wijst in zijn schriftelijke uiteenzetting op de Country Guidance Iran van het European Union Agency for Asylum van januari 2025. Daarin staat dat het in Iran illegaal is om niet-religieus te zijn. De Iraanse autoriteiten staan niet toe dat iemand een ander geloof aanhangt dan de islam. Afvalligen en atheïsten kunnen daarom te maken krijgen met vervolging wegens godslastering of het promoten van atheïsme. Zij lopen daarbij het risico om op willekeurige wijze te maken te krijgen met gevangenneming en vervolging. Zo zijn er in 2023 twee personen opgehangen die werden beschuldigd van het beledigen van de islam en het promoten van atheïsme. Ook kunnen afvalligen en atheïsten te maken krijgen met inbeslagname van eigendommen en moeten zij liegen over hun religie om een identiteitskaart te verkrijgen en om toegang te krijgen tot bepaalde diensten, zoals onderwijs, openbaar vervoer en verzekeringen. Uit de Country Guidance volgt verder dat de Iraanse autoriteiten beschikken over een ‘cyberleger’. Daarmee monitoren de autoriteiten burgers die in het binnen- en buitenland verblijven. 6.4. Appellant wijst verder op het Report on International Religious Freedom: Iran van het U.S. Department of State van juni 2024. Daarin staat dat het in Iran strafbaar is om ongelovig te zijn en dat afvalligen en atheïsten zich niet openlijk kunnen uiten. Zij lopen het risico om willekeurig te worden opgepakt, te worden mishandeld en kunnen zelfs de doodstraf krijgen. Volgens het rapport zijn er recent vele personen door de overheid veroordeeld en geëxecuteerd voor ‘vijandigheid tegen God’ of afvalligheid. Sinds de dood van Mahsa Amini in september 2022 zouden religieuze minderheden aanzienlijk meer problemen hebben en is veel vaker de doodstraf opgelegd. Het rapport wijst op het Human Rights Activists News Agency, die melding maakt van minstens 746 executies en 142 arrestaties in 2023. 6.5. Appellant heeft ook een stuk van dr. Marnix Visscher van Stichting Gave naar voren gebracht. Daarin reageert Visscher op de schriftelijke uiteenzetting van de minister. Hij is het met de minister eens dat er bepaalde individuele omstandigheden zijn die risico’s mee kunnen brengen. Zo kan het feit dat iemand uit een streng-islamitische familie komt ervoor zorgen dat hij sneller problemen krijgt. Visscher legt echter ook uit dat de seculariseringstendens in Iran vooral gevolgen heeft voor de houding van families en sociale kringen ten opzichte van afvalligen. De toenemende secularisering heeft volgens hem geen invloed op het zeer restrictieve overheidsbeleid jegens afvalligen en atheïsten. Daarmee zegt de secularisatie volgens Stichting Gave dus niets over de risico’s die afvalligen lopen in Iran. Ook het staatstoezicht op de naleving van de Ramadan en kledingvoorschriften in de openbare ruimte zorgen ervoor dat afvalligen hun niet-islamitische identiteit lastig kunnen uiten. Het oordeel van de Afdeling 7. De Afdeling is van oordeel dat appellant met de door hem overgelegde landeninformatie voldoende twijfel heeft gezaaid over het standpunt van de minister dat hij bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging. 7.1. De door appellant overgelegde bronnen laten een ander beeld zien dan de informatie uit het ambtsbericht en zijn daarnaast grotendeels van een recentere datum. Uit deze bronnen komt naar voren dat er een gebrek is aan eenduidige informatie over de omstandigheden die van belang zijn om het terugkeerrisico voor atheïsten en afvalligen te kunnen inschatten. Zo volgt enerzijds uit het ambtsbericht dat afvalligen en atheïsten zelden bestraft worden en anderzijds uit de door appellant overgelegde bronnen dat zij steeds vaker te maken krijgen met mishandeling en de doodstraf. Het blijft daarmee onduidelijk hoe vaak, op welke wijze en om welke reden de autoriteiten optreden tegen afvalligen en atheïsten. De cijfers in de verschillende bronnen lopen uiteen en daarnaast volgt daaruit niet duidelijk hoe groot de kans is dat de autoriteiten op de hoogte zullen raken van het feit dat een vreemdeling afvallig of atheïstisch is, bijvoorbeeld door ondervragingen op het vliegveld of het monitoren van personen bij terugkeer. 7.2. De onduidelijkheid in de landeninformatie betreft niet alleen vreemdelingen die hun afvalligheid of atheïsme actief uitdragen. De bronnen laten ook een wisselend beeld zien van de situatie van vreemdelingen die hun (religieuze) overtuiging in beginsel terughoudend uiten. De Afdeling komt dan ook tot het oordeel dat de minister zich niet zonder nader onderzoek naar de situatie voor afvalligen en atheïsten in Iran op het standpunt kan stellen dat appellant geen gegronde vrees heeft voor vervolging bij terugkeer. 7.3. Door deze onduidelijkheid kan niet zonder meer geconcludeerd worden dat afvalligen en atheïsten een gegronde vrees hebben voor vervolging. Appellant heeft met de overgelegde bronnen echter dusdanige twijfel gezaaid over het standpunt van de minister dat het gelet op de samenwerkingsplicht aan de minister is om deze twijfel weg te nemen (vergelijk de uitspraak van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2793, onder 5.6). De minister is daar in zijn schriftelijke uiteenzetting en ter zitting onvoldoende in geslaagd. De minister heeft met name geen duidelijkheid verschaft over de juistheid van de aangedragen informatie waaruit volgt dat afvalligen en atheïsten te maken kunnen krijgen met mishandeling en de doodstraf. Daarbij is hij onvoldoende ingegaan op de door appellant overgelegde actuele informatie. Daardoor blijft onduidelijk of, en zo ja, welke problemen een vreemdeling krijgt als de Iraanse autoriteiten van zijn afvalligheid of atheïsme op de hoogte raken. Daarbij komt dat de minister geen duidelijkheid heeft verschaft over het risico dat vreemdelingen lopen om bij terugkeer op de luchthaven te worden ondervraagd en het risico dat de autoriteiten op de hoogte raken van het feit dat zij een asielaanvraag hebben ingediend in het buitenland. 7.4. Dit bekent dat de derde grief, waarin appellant klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de risico’s die hij bij terugkeer op de luchthaven in Iran loopt, slaagt. Het besluit is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, op dit punt niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Gelet op hetgeen hiervoor is besproken, moet de minister nader onderzoek doen naar de situatie van afvalligen en atheïsten in Iran. De minister zal vervolgens een nieuw besluit moeten nemen. Conclusie 8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 4 juni 2024. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag en, als hij zijn standpunt handhaaft, dit nader moeten motiveren aan de hand van onderzoek naar de actuele situatie van afvalligen en atheïsten in Iran. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 juli 2024 in zaak nr. NL24.23449; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 4 juni 2024, V-[...]; V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.203,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. B.
Volledig
Toch kan volgens het ambtsbericht niet worden uitgesloten dat afvalligen een risico lopen op strafrechtelijke vervolging, ook zonder dat zij hun afvalligheid uitdragen. Dat is afhankelijk van de individuele omstandigheden in een zaak. Afvalligen kunnen daarnaast problemen ondervinden met het krijgen van een baan, het verkrijgen van een vergunning om een onderneming te starten of het volgen van onderwijs. Vrouwen die zich niet aan kledingvoorschriften houden, krijgen bijvoorbeeld geen toegang tot bepaalde openbare gelegenheden. 6.3. Appellant betoogt dat de informatie uit het ambtsbericht verouderd is. Hij wijst in zijn schriftelijke uiteenzetting op de Country Guidance Iran van het European Union Agency for Asylum van januari 2025. Daarin staat dat het in Iran illegaal is om niet-religieus te zijn. De Iraanse autoriteiten staan niet toe dat iemand een ander geloof aanhangt dan de islam. Afvalligen en atheïsten kunnen daarom te maken krijgen met vervolging wegens godslastering of het promoten van atheïsme. Zij lopen daarbij het risico om op willekeurige wijze te maken te krijgen met gevangenneming en vervolging. Zo zijn er in 2023 twee personen opgehangen die werden beschuldigd van het beledigen van de islam en het promoten van atheïsme. Ook kunnen afvalligen en atheïsten te maken krijgen met inbeslagname van eigendommen en moeten zij liegen over hun religie om een identiteitskaart te verkrijgen en om toegang te krijgen tot bepaalde diensten, zoals onderwijs, openbaar vervoer en verzekeringen. Uit de Country Guidance volgt verder dat de Iraanse autoriteiten beschikken over een ‘cyberleger’. Daarmee monitoren de autoriteiten burgers die in het binnen- en buitenland verblijven. 6.4. Appellant wijst verder op het Report on International Religious Freedom: Iran van het U.S. Department of State van juni 2024. Daarin staat dat het in Iran strafbaar is om ongelovig te zijn en dat afvalligen en atheïsten zich niet openlijk kunnen uiten. Zij lopen het risico om willekeurig te worden opgepakt, te worden mishandeld en kunnen zelfs de doodstraf krijgen. Volgens het rapport zijn er recent vele personen door de overheid veroordeeld en geëxecuteerd voor ‘vijandigheid tegen God’ of afvalligheid. Sinds de dood van Mahsa Amini in september 2022 zouden religieuze minderheden aanzienlijk meer problemen hebben en is veel vaker de doodstraf opgelegd. Het rapport wijst op het Human Rights Activists News Agency, die melding maakt van minstens 746 executies en 142 arrestaties in 2023. 6.5. Appellant heeft ook een stuk van dr. Marnix Visscher van Stichting Gave naar voren gebracht. Daarin reageert Visscher op de schriftelijke uiteenzetting van de minister. Hij is het met de minister eens dat er bepaalde individuele omstandigheden zijn die risico’s mee kunnen brengen. Zo kan het feit dat iemand uit een streng-islamitische familie komt ervoor zorgen dat hij sneller problemen krijgt. Visscher legt echter ook uit dat de seculariseringstendens in Iran vooral gevolgen heeft voor de houding van families en sociale kringen ten opzichte van afvalligen. De toenemende secularisering heeft volgens hem geen invloed op het zeer restrictieve overheidsbeleid jegens afvalligen en atheïsten. Daarmee zegt de secularisatie volgens Stichting Gave dus niets over de risico’s die afvalligen lopen in Iran. Ook het staatstoezicht op de naleving van de Ramadan en kledingvoorschriften in de openbare ruimte zorgen ervoor dat afvalligen hun niet-islamitische identiteit lastig kunnen uiten. Het oordeel van de Afdeling 7. De Afdeling is van oordeel dat appellant met de door hem overgelegde landeninformatie voldoende twijfel heeft gezaaid over het standpunt van de minister dat hij bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging. 7.1. De door appellant overgelegde bronnen laten een ander beeld zien dan de informatie uit het ambtsbericht en zijn daarnaast grotendeels van een recentere datum. Uit deze bronnen komt naar voren dat er een gebrek is aan eenduidige informatie over de omstandigheden die van belang zijn om het terugkeerrisico voor atheïsten en afvalligen te kunnen inschatten. Zo volgt enerzijds uit het ambtsbericht dat afvalligen en atheïsten zelden bestraft worden en anderzijds uit de door appellant overgelegde bronnen dat zij steeds vaker te maken krijgen met mishandeling en de doodstraf. Het blijft daarmee onduidelijk hoe vaak, op welke wijze en om welke reden de autoriteiten optreden tegen afvalligen en atheïsten. De cijfers in de verschillende bronnen lopen uiteen en daarnaast volgt daaruit niet duidelijk hoe groot de kans is dat de autoriteiten op de hoogte zullen raken van het feit dat een vreemdeling afvallig of atheïstisch is, bijvoorbeeld door ondervragingen op het vliegveld of het monitoren van personen bij terugkeer. 7.2. De onduidelijkheid in de landeninformatie betreft niet alleen vreemdelingen die hun afvalligheid of atheïsme actief uitdragen. De bronnen laten ook een wisselend beeld zien van de situatie van vreemdelingen die hun (religieuze) overtuiging in beginsel terughoudend uiten. De Afdeling komt dan ook tot het oordeel dat de minister zich niet zonder nader onderzoek naar de situatie voor afvalligen en atheïsten in Iran op het standpunt kan stellen dat appellant geen gegronde vrees heeft voor vervolging bij terugkeer. 7.3. Door deze onduidelijkheid kan niet zonder meer geconcludeerd worden dat afvalligen en atheïsten een gegronde vrees hebben voor vervolging. Appellant heeft met de overgelegde bronnen echter dusdanige twijfel gezaaid over het standpunt van de minister dat het gelet op de samenwerkingsplicht aan de minister is om deze twijfel weg te nemen (vergelijk de uitspraak van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2793, onder 5.6). De minister is daar in zijn schriftelijke uiteenzetting en ter zitting onvoldoende in geslaagd. De minister heeft met name geen duidelijkheid verschaft over de juistheid van de aangedragen informatie waaruit volgt dat afvalligen en atheïsten te maken kunnen krijgen met mishandeling en de doodstraf. Daarbij is hij onvoldoende ingegaan op de door appellant overgelegde actuele informatie. Daardoor blijft onduidelijk of, en zo ja, welke problemen een vreemdeling krijgt als de Iraanse autoriteiten van zijn afvalligheid of atheïsme op de hoogte raken. Daarbij komt dat de minister geen duidelijkheid heeft verschaft over het risico dat vreemdelingen lopen om bij terugkeer op de luchthaven te worden ondervraagd en het risico dat de autoriteiten op de hoogte raken van het feit dat zij een asielaanvraag hebben ingediend in het buitenland. 7.4. Dit bekent dat de derde grief, waarin appellant klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de risico’s die hij bij terugkeer op de luchthaven in Iran loopt, slaagt. Het besluit is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, op dit punt niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Gelet op hetgeen hiervoor is besproken, moet de minister nader onderzoek doen naar de situatie van afvalligen en atheïsten in Iran. De minister zal vervolgens een nieuw besluit moeten nemen. Conclusie 8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 4 juni 2024. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag en, als hij zijn standpunt handhaaft, dit nader moeten motiveren aan de hand van onderzoek naar de actuele situatie van afvalligen en atheïsten in Iran. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 juli 2024 in zaak nr. NL24.23449; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 4 juni 2024, V-[...]; V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.203,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. B.