Rechtspraak
Raad van State
2026-03-09
ECLI:NL:RVS:2026:1317
Bestuursrecht
Hoger beroep
1,096 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1317 text/xml public 2026-03-20T12:04:49 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-09 202404822/1/V1 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1317 text/html public 2026-03-09T10:40:50 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1317 Raad van State , 09-03-2026 / 202404822/1/V1 1. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister van Asiel en Migratie krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1). 202404822/1/V1. Datum uitspraak: 9 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzoek van: [verzoeker], verzoeker, om proceskostenvergoeding in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) Procesverloop Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2024 in zaak nr. NL24.23189. De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij haar opgekomen proceskosten. Overwegingen Het verzoek om een proceskostenveroordeling 1. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1). 2. Het hoger beroep ging over de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn met WBV 2023/3. Die rechtsvraag heeft in dit geval geen invloed op de vraag of verzoeker haar proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister op 6 februari 2026 een besluit genomen op de asielaanvraag van verzoeker. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na de ondertekening van het formulier model M35-H op 2 november 2023 meer dan vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister het besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te vergoeden. 3. De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte kosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. Het besluit van 6 februari 2026 4. Verzoeker heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier. w.g. Drop lid van de enkelvoudige kamer w.g. Pronk griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026 1028