Rechtspraak Raad van State 2026-03-04
ECLI:NL:RVS:2026:1243
202404080/1/A2. Datum uitspraak: 4 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 mei 2024 in zaak nr. 23/5784 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister). Procesverloop Bij besluit van 12 mei 2023 heeft de minister de aanvraag van [appellant] voor subsidie voor studiekosten en studieverlof voor het studiejaar 2023-2024 op basis van de Subsidieregeling lerarenbeurs (hierna: de subsidieregeling) buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 28 juli 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 juli 2023 vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de minister het bezwaar van [appellant] opnieuw ongegrond verklaard. [appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 20 juni 2024. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J. van Basten Batenburg, advocaat in Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. N. Fazli, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] volgde in het studiejaar 2023-2024 de master Begeleidingskunde aan de Hogeschool Rotterdam. Op 3 april 2023 heeft hij een aanvraag ingediend om voor dit studiejaar een subsidie voor studiekosten en studieverlof - een zogenoemde Lerarenbeurs - te ontvangen. Bij brief van 19 april 2023 heeft de minister [appellant] gewezen op het ontbreken van een volledig ingevulde en ondertekende ‘Verklaring (laatste) werkgever of inlener’ (hierna: werkgeversverklaring) bij zijn aanvraag. Aan [appellant] is de gelegenheid geboden om deze verklaring voor 5 mei 2023 alsnog over te leggen. De minister heeft voor deze datum geen verklaring ontvangen en heeft de aanvraag daarom buiten behandeling gesteld. [appellant] heeft in bezwaar alsnog de ondertekende werkgeversverklaring overgelegd. 2. De minister heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld omdat de werkgeversverklaring ontbrak en die ook niet binnen de daarvoor gestelde hersteltermijn is overgelegd. Dat [appellant] in de bezwaarfase alsnog de werkgeversverklaring heeft overgelegd kan hem niet baten, omdat de termijn voor het aanleveren van deze verklaring is verstreken. Verder heeft de minister geen aanleiding gezien voor het toepassen van de hardheidsclausule uit de subsidieregeling. De buitenbehandelingstelling door het niet tijdig indienen van een werkgeversverklaring is geen onbedoeld of onvoorzien effect van de voorgeschreven verplichting in de subsidieregeling. De aangevallen uitspraak 3. De rechtbank heeft geoordeeld dat als na een buitenbehandelingstelling met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de gevraagde gegevens in de bezwaarperiode alsnog zijn overgelegd het een bestuursorgaan vrij staat om deze ontbrekende gegevens alsnog mee te nemen, maar dat het hiertoe niet verplicht is. Omdat een bestuursorgaan zelfstandig mag beoordelen of het gebruik maakt van deze bevoegdheid en de ruimte heeft om alsnog inhoudelijk te beslissen op de aanvraag, moet het bestuursorgaan bij de beslissing om de buitenbehandelingstelling te handhaven een belangenafweging maken. Volgens de rechtbank heeft de minister geen duidelijke en volledige belangenafweging in het bestreden besluit gemaakt, waardoor dit een motiveringsgebrek bevat. Daarnaast heeft de minister naar het oordee Bovendien was het subsidieplafond bereikt. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat, gelet op de door de regelgever strikt voorgeschreven procedure en de belangen van andere aanvragers, zeer beperkte ruimte bestaat om af te wijken. Hier zou aanleiding voor bestaan als [appellant] niet in staat was geweest de aanvraag in de hersteltermijn aan te vullen. Volgens de minister biedt het betoog van [appellant] onvoldoende aanknopingspunten om tot dat oordeel te komen. Het niet openen van de notificatiemails, omdat hij het te druk had en er vanuit ging dat het om besluit tot toekenning ging, dient voor zijn rekening en risico te komen. Dat het mislopen van de subsidie voor [appellant] financiële gevolgen heeft maakt zijn situatie niet anders dan die van anderen die de subsidie zijn misgelopen, aldus de minister. Het beroep gericht tegen het nieuwe besluit 7. [appellant] betoogt dat het gaat om een herhaling van zetten van de minister zoals in het hoger beroep is besproken. Volgens hem is er niet getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Het gaat volgens [appellant] niet om een afweging tussen zijn belangen en die van de minister. Maar het moet volgens hem gaan om de vraag of de gevolgen van de beslissing een evenredige reactie zijn op de door hem gemaakte fout. Ook heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat er geen middelen meer zouden zijn. 7.1. De minister heeft zich, zoals ook onder 4.2 is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat hij niet verplicht is om ontbrekende gegevens die in de bezwaarprocedure na de buitenbehandelingstelling alsnog zijn overgelegd, mee te nemen. Gelet op de aard van de subsidieregeling, waarin de toekenning op volgorde van binnenkomst plaatsvindt en per studiejaar een subsidieplafond is opgenomen, moest de minister in bezwaar beslissen op basis van de feiten en omstandigheden die bekend waren bij de aanvraag. Wel diende de minister, zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld, een belangenafweging te maken in het kader van de buitenbehandelingstelling. Van belang is daarbij dat in het geval dat het voor een aanvrager niet mogelijk was om een (volledige) aanvraag in te dienen, zeer beperkt ruimte voor het alsnog behandelen en het wegens bijzondere omstandigheden honoreren ervan in de bezwaarfase bestaat (zie in dat verband de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4985). 7.2. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het voor [appellant] niet mogelijk was om zijn aanvraag binnen de hersteltermijn aan te vullen. [appellant] heeft - naar hij stelt - door drukte en privéomstandigheden een onvolledige aanvraag gedaan. De door de minister geboden hersteltermijn waarbinnen hij zijn aanvraag nog kon aanvullen, heeft hij ongebruikt gelaten omdat hij de berichten van de minister van 19 april 2023 en 12 mei 2023 niet heeft geopend. Pas op 21 juni 2023 heeft hij besloten om in ‘Mijn DUO’ de stand van zaken van zijn aanvraag te controleren. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit voor rekening en risico van [appellant] komt. Het niet openen van de berichten van de minister van 19 april 2023 en 12 mei 2023 is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de aanvraag alsnog in bezwaar had moeten worden gehonoreerd en de minister van de regeling had moeten afwijken. De buitenbehandelingstelling was dus een (evenredig) gevolg van het niet tijdig indienen van de bij de aanvraag verplicht over te leggen stukken. De minister heeft voorts erkend dat de gevolgen van de buitenbehandelingstelling een grote financiële impact hebben, maar heeft terecht opgemerkt dat deze gevolgen gelden voor alle aanvragers die geen subsidie ontvangen omdat de aanvraag buiten behandeling is gelaten. Dit is dus ook geen bijzondere omstandigheid die aanleiding zou moeten zijn om af te wijken van de regeling. 7.3. Het beroep van rechtswege is ongegrond. Conclusie 8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt d