Rechtspraak Raad van State 2026-03-04
ECLI:NL:RVS:2026:1226
202302862/1/A3. Datum uitspraak: 4 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Café/Bar Reality, gevestigd in Amsterdam, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2023 in zaak nr. 21/4034 in het geding tussen: Café/Bar Reality en de voorzitter van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland (de voorzitter). Procesverloop Bij besluit van 20 augustus 2020 heeft de voorzitter Café/Bar Reality gesloten op grond van de Noodverordening COVID-19 Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland. Bij besluit van 5 juli 2021 heeft de voorzitter het door Café/Bar Reality daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 februari 2023 heeft de rechtbank het door Café/Bar Reality daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft Café/Bar Reality hoger beroep ingesteld. De voorzitter heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 november 2025, waar Café/Bar Reality, vertegenwoordigd door ir. A.M. de Vos, en de voorzitter, vertegenwoordigd door mr. S. Roelofsen, zijn verschenen. Overwegingen Procedureel verzoek na sluiting onderzoek 1. Café/Bar Reality heeft bij brief van 4 februari 2026 verzocht om heropening van het onderzoek. De Afdeling ziet hiertoe geen aanleiding en wijst dit verzoek af. Inleiding 2. De voorzitter heeft aan Café/Bar Reality bij besluit van 5 augustus 2020 een last onder bestuursdwang opgelegd omdat Café/Bar Reality verschillende bepalingen van de Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland (de Noodverordening) heeft overtreden. Hieraan ligt ten grondslag dat op 1 augustus 2020 is geconstateerd dat er teveel mensen in het café waren en er geen 1,5 meter afstand werd gehouden. Daarnaast was de dansvoorziening van het café voor publiek geopend. Eerder is op 13 juni 2020 een mondelinge waarschuwing gegeven en op 20 juli 2020 een schriftelijke waarschuwing vanwege overtreding van de Noodverordening een dag eerder. Vervolgens heeft de voorzitter op 20 augustus 2020 besloten dat het café met ingang van 21 augustus 2020 om 18.00 uur voor de duur van minimaal vier weken gesloten moet zijn en blijven omdat niet was voldaan aan de last in het besluit van 5 augustus 2020. Op 14 augustus 2020 was namelijk opnieuw geconstateerd dat de Noodverordening door Café/Bar Reality was overtreden. Er werd op het terras niet of nauwelijks de 1,5-metermaatregel in acht genomen en de uren en nachten daarna was nog diverse keren waargenomen dat er een grote groep voor het café op het terras zat waarbij de afstand weinig tot niet in acht werd genomen. De voorzitter heeft het door Café/Bar Reality gemaakte bezwaar tegen de sluiting ongegrond verklaard en de rechtbank heeft vervolgens het daartegen door Café/Bar Reality ingestelde beroep ongegrond verklaard. Procesbelang? 3. De Afdeling beoordeelt allereerst of Café/Bar Reality nog steeds procesbelang heeft. De voorzitter heeft namelijk in zijn schriftelijke uiteenzetting gesteld dat Café/Bar Reality geen procesbelang meer zou kunnen hebben bij het hoger beroep omdat de coronamaatregelen en de Noodverordening waarop deze waren gebaseerd niet langer gelden. Daarnaast heeft de voorzitter op de zitting aangegeven dat Café/Bar Reality inmiddels is gesloten. Dat is door de gemachtigde van Café/Bar Reality op de zitting bevestigd. 3.1. Het procesbelang dat Café/Bar Reality heeft bij de uitkomst van de procedure, is wat zij concreet met haar hoger beroep wil of kan bereiken. Het gaat niet om de vraag óf zij gelijk heeft, maar of zij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als zij dat zou hebben (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2946). 3.2. De Afdeling acht het, net als de rechtbank, voldoende aannemelijk dat Café/Bar Reality door het sluiten van het café omzet heeft gederfd en daardoor schade heeft geleden. Café/Bar Reality is om die reden ontvankelijk in haar hoger De ministeriële regeling is vastgesteld op grond van artikel 20 van de Wpg en dat artikel biedt de ruimte om alle bepalingen uit de Wpg in een regeling van toepassing te verklaren om een infectieziekte behorende tot groep A te bestrijden. Dit omdat bij de bestrijding van een dergelijke infectieziekte haast is geboden en een wetswijziging niet kan worden afgewacht. 7.2. Verder stelt de Afdeling vast dat op 24 april 2020 de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid in werking is getreden. In artikel 34 van die wet is bepaald dat indien de voorzitter van een veiligheidsregio op grond van artikel 39, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s toepassing heeft gegeven aan de onder b van dat artikellid genoemde artikelen uit de Gemeentewet, hij ook bevoegd is toepassing te geven aan artikel 125 van de Gemeentewet voor zover de last dient tot handhaving van regels die hij in verband met die toepassing uitvoert. Met deze bepaling heeft de wetgever ervoor gezorgd dat de voorzitter bevoegd is om op grond van artikel 125 van de Gemeentewet een last onder bestuursdwang op te leggen. De in het geval van Café/Bar Reality opgelegde last onder bestuursdwang en daaropvolgende sluiting vanwege het niet nakomen van de last dateren van ruim na de inwerkingtreding van deze wet. Anders dan Café/Bar Reality betoogt, was de voorzitter dan ook bevoegd tot oplegging en uitvoering van de last onder bestuursdwang. 7.3. Het betoog slaagt niet. Sluiting proportioneel en geen onrechtmatig overheidsbesluit 8. De gronden die Café/Bar Reality voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Café/Bar Reality heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Conclusie 9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Voor zover Café/Bar Reality een verzoek om schadevergoeding heeft gedaan, wijst de Afdeling dat af. 10. De voorzitter hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank. II. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier. w.g. Wissels voorzitter w.g. Van Wezep griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026 844 Bijlage Wettelijk kader Gemeentewet Artikel 125 1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. 2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. 3. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert. 4. Een bestuurscommissie bezit de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang en de bevoegdheid tot het geven van een machtiging tot binnentreden van een woning slechts indien ook die bevoegdheid uitdrukkelijk is overgedragen. Artikel 176 1. Wanneer een omstandigheid als bedoeld in artikel 175, eerste lid, zich voordoet, kan de burgemeester algemeen verbindende voorschriften geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op een door hem te bepalen wijze. 2. De burgemeester brengt de voorschriften zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad, van de commissaris van de Koning en van het hoofd van het arrondissementsparket. 3. De voorschriften ve