Rechtspraak Raad van State 2026-03-04
ECLI:NL:RVS:2026:1222
202300778/1/A3. Datum uitspraak: 4 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2022 in zaak nr. 19/3693 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2019 heeft de burgemeester op grond van de Wet openbare manifestaties (hierna: de Wom) het recht van [appellant] op betoging beperkt door voorschriften te verbinden aan zijn periodieke demonstraties op de Dam. Bij besluit van 6 juni 2019 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 december 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De burgemeester en [appellant] hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.W. Eikelboom, advocaat in Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. H.H.L. Krans, mr. M. Kappelhof en T.C. Tuinstra, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Vanaf 2015 vinden demonstraties op de Dam plaats door verschillende partijen in het kader van de situatie in Israël en Palestina. Deze demonstraties gingen volgens de burgemeester gepaard met wanordelijkheden omdat sympathisanten van beide kanten elkaar opzoeken. In juli 2016 heeft de burgemeester, met toepassing van de Wom, bepaald dat er tussen enerzijds de pro-Israëldemonstranten en anderzijds de pro-Palestinademonstranten op de Dam een afstand van ten minste 25 meter in acht wordt genomen. Dit afstandscriterium werd redelijk goed nageleefd, maar individuele sympathisanten van beide kanten hielden zich met enige regelmaat niet aan de opgelegde afstand. Omdat de demonstraties in toenemende mate gepaard gingen met geweldsincidenten, heeft de burgemeester in april 2017 besloten verdergaande beperkingen aan de demonstraties op te leggen. 1.1. Bij het besluit van 1 februari 2019 heeft de burgemeester op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wom voorgeschreven dat [appellant] op de Dam alleen nog op de zondagen van de even weken, binnen een ingekaderd gebied mag demonstreren en dat de demonstraties niet langer mogen duren dan drie uur per dag en vooraf aangemeld moeten worden. 1.2. Bij brief van 11 juni 2022 heeft de burgemeester aan [appellant] te kennen gegeven dat de in het besluit van 1 februari 2019 opgelegde voorschriften met ingang van 8 december 2020 niet meer gelden. Het recht van betoging van [appellant] wordt hierdoor sinds 8 december 2020 niet langer beperkt door de op 1 februari 2019 ingestelde voorschriften. Wettelijk kader 2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Uitspraak rechtbank 3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester, gelet op de belangen genoemd in artikel 2 van de Wom, aanleiding heeft kunnen zien tot het verbinden van voorschriften aan de demonstraties van [appellant] op de Dam. Naar het oordeel van de rechtbank ondersteunen de bestuurlijke rapportages in het dossier voldoende de conclusie dat sprake is van wanordelijkheden op de Dam naar aanleiding van de demonstraties door pro-Israël¬demonstranten en pro-Palestinademonstranten. Uit de overgelegde bestuurlijke rapportages, zoals het rapport van de politie van 19 februari 2019, blijkt dat in de maanden december 2018, januari en februari 2019 bij de demonstraties die tegelijkertijd plaatsvonden er over en weer naar elkaar gescholden en geschreeuwd werd. Ook was er fysiek contact tussen deelnemers van beide demonstraties. Volgens de verbalisanten waren in de genoemde periode intimidatie, bedreigingen en beledigingen aan de orde van de dag. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de rapport