Rechtspraak Raad van State 2026-03-04
ECLI:NL:RVS:2026:1186
202305777/1/R1. Datum uitspraak: 4 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Vereniging van Eigenaars [locatie A] en anderen (de Vereniging en anderen), gevestigd en wonend in Benningbroek, gemeente Medemblik, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 juli 2023 in zaak nr. 22/1774 in het geding tussen: de Vereniging en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Medemblik. Procesverloop Bij brief van 23 juni 2021 heeft het college aan [partij] bekendgemaakt dat de door haar op 17 februari 2021 aangevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van vier appartementen in het bestaande pand aan de [locatie A] in Benningbroek van rechtswege is verleend. Bij besluit van 28 februari 2022 heeft het college de onder meer door de Vereniging en anderen tegen de vergunning van rechtswege gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 juli 2023 heeft de rechtbank het door de Vereniging en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben De Vereniging en anderen hoger beroep ingesteld. Het college en [partij] en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Vereniging en anderen hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 januari 2026, waar voor de Vereniging en anderen [gemachtigde A], [gemachtigde B], [gemachtigde C] en [gemachtigde D], en via een videoverbinding het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Kliphuis, advocaat in Hoofddorp, en S. Cavusoglu, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting via een videoverbinding [partij], [gemachtigde E] en [gemachtigde F], bijgestaan door mr. S. Smit, advocaat in Alkmaar, als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Het pand aan de [locatie A] in Benningbroek bestaat uit drie appartementen. Twee appartementen bevinden zich op de begane grond (huisnummers [locatie A] en [locatie B]). Het derde appartement bestaat uit de eerste en tweede verdieping en de zolderverdieping van het pand (huisnummer [locatie C]). [partij] en anderen zijn houders van de appartementsrechten voor dit derde appartement. Zij hebben aan het college omgevingsvergunning gevraagd om dit appartement te verbouwen tot vier afzonderlijke appartementen. Dit is niet in overeenstemming met het bestemmingsplan "Dorpskernen I", omdat binnen de hier geldende bestemming "Wonen" maar één woning in het pand is toegestaan. Voor het bouwplan is dan ook een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ nodig. Het college is bevoegd om voor die laatste activiteit omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Omdat het college niet binnen de beslistermijn op de aanvraag heeft beslist, is de omgevingsvergunning van rechtswege gegeven. Het college heeft deze vergunning in de beslissing op bezwaar van 28 februari 2022 in stand gelaten. Het acht de afwijking van het bestemmingsplan ruimtelijk aanvaardbaar en volgens hem is er ook verder gee De burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter moet als eerste beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. De bestuursrechter zal daarom alleen oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat als die belemmering evident is. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven. De Afdeling voegt hier ter voorlichting aan partijen aan toe dat het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning geen invloed heeft op privaatrechtelijke verhoudingen. Privaatrechtelijke aspecten zijn uitsluitend van belang in het licht van de door het college te maken beoordeling of niet op voorhand vaststaat dat de activiteit niet uitvoerbaar is. 5.2. In de akte van splitsing van 20 april 2005, onder F, aanhef en c., is - kort weergegeven - het modelreglement van de Koninklijke Broederschap der Notarissen in Nederland, zoals vastgesteld op 2 januari 1992, overgenomen, tenzij daar in de akte van wordt afgeweken. Uit artikel 9, tweede lid, van het modelreglement volgt dat het een eigenaar of gebruiker van een appartement zonder toestemming van de vergadering niet is toegestaan veranderingen aan te brengen in de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken, ook als deze zich in de privégedeelten bevinden. Onder gemeenschappelijke zaken vallen onder meer riolering, leidingen voor gas en water en elektriciteitsleidingen. De akte van splitsing wijkt op dit punt niet af van het modelreglement. De Vereniging en anderen hebben hier in bezwaar op gewezen en te kennen gegeven dat de Vereniging geen toestemming wil verlenen. Het college heeft hierin in zijn besluit op bezwaar van 28 februari 2022 terecht geen evidente privaatrechtelijke belemmering gevonden op grond waarvan het de gevraagde omgevingsvergunning alsnog moest weigeren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraken van 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1997, onder 4.4, en van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5239, onder 3.2, staat tegen een weigering van de Vereniging om goedkeuring te verlenen een gang naar de burgerlijke rechter open. Binnen die rechtsgang kan worden beoordeeld of de benodigde toestemming zonder redelijke grond is geweigerd. 5.3. Wat betreft het gebruik van de toegangsweg heeft de rechtbank gewezen op de omschrijving van de erfdienstbaarheden in de akte van splitsing, waarin staat dat splitsing van het heersende erf geen verzwaring van de erfdienstbaarheid van de ontsluitingweg betreft. De rechtbank heeft hieruit terecht afgeleid dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering om na splitsing van het appartement gebruik te blijven maken van de toegangsweg. 5.4. Het college heeft ook in de gestelde onmogelijkheid om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren zonder daarbij een deel van de buitenruimte te moeten betrekken terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Bij de akte van splitsing hoort een tekening waarop is aangegeven welk deel van het erf bij het pand als parkeerterrein hoort bij appartementsrecht 3, oftewel het appartementsrecht voor huisnummer [locatie C] van [partij] en anderen. De Afdeling constateert dat in de vergunningsaanvraag en de vergunning zelf voor de nieuwe appartementen is weergegeven dat de parkeerplaatsen op dit bij appartementsrecht 3 behorende parkeerterrein zullen worden gerealiseerd. Verder heeft de rechtbank ook in het noodzakelijke gebruik van de buitenruimte om de parkeerplaatsen te bereiken terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Het antwoord op de vraag of het gebruikers van de nieuwe appartementen zal kunnen worden verboden om de parkeerplaatsen over de b Parkeren voldoende geregeld? 7. De Vereniging en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat wordt voldaan aan de toepasselijke parkeernormen krachtens het bestemmingsplan "Parapluplan Parkeren Medemblik". Zij voeren aan dat de rechtbank het college ten onrechte heeft gevolgd in zijn standpunt dat de parkeernorm geldt die hoort bij woningen in het segment "goedkoop". De rechtbank heeft zijn oordeel daarover volgens hen ten onrechte gebaseerd op de verkoopprijs van de woningen, nu deze nog niet verkocht waren. Het berekende aantal benodigde parkeerplaatsen van zeven is daarom volgens hen te laag. Daar komt bij dat de zeven parkeerplaatsen zoals voorzien, niet geschikt zijn omdat deze niet voldoen aan de normen voor de omvang en de toegankelijkheid van parkeerplaatsen uit de Nota parkeernormen 2021 en de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (de LIOR). Volgens hen heeft de rechtbank hen in dit verband ten onrechte tegengeworpen dat niet is nagemeten of de in de aanvraag voorziene ruimte voor de parkeerplaatsen daadwerkelijk ter beschikking staat. Bovendien zijn de voorziene parkeerplaatsen deels uitsluitend bereikbaar vanaf de buitenruimte waarover geen recht van overpad bestaat. Ook de door [partij] en anderen in bezwaar ingediende aangepaste tekening met acht parkeerplaatsen in een alternatieve indeling voldoet niet, aldus de Vereniging en anderen. 7.1. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de planregels van het parapluplan wordt bij een omgevingsvergunning aan de hand van de op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels (die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormen van 6 maart 2014, dan wel een opvolger daarvan) bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Ten tijde van het besluit op bezwaar van 28 februari 2022 gold de Nota Parkeernormen 2021. Deze nota bevat normen voor het aantal benodigde parkeerplaatsen en, via een verwijzing naar de LIOR, voor de maatvoering. 7.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de nieuwe appartementen voor het bepalen van de toepasselijke parkeernorm vallen onder functietype "Koop, appartement, goedkoop". Daarvoor geldt op deze locatie een parkeernorm van 1,6 parkeerplaats per woning. Er zijn volgens het college dus (naar boven afgerond) zeven parkeerplaatsen nodig voor de vier appartementen. Uitgaande van de door [partij] en anderen ingediende tekening van 22 april 2021 is er volgens het college in voldoende ruimte voorzien voor zeven parkeerplaatsen die voldoen aan de minimale afmetingen volgens de LIOR en die ook toegankelijk zijn voor auto’s. 7.3. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is in de Nota Parkeernormen niet omschreven welke koopappartementen in het segment "goedkoop" vallen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank had moeten oordelen dat het college in dit geval ten onrechte heeft aangenomen dat de nieuwe appartementen in het segment "goedkoop" vallen. Voor zover de appartementen nog niet waren verkocht, mocht de rechtbank zich baseren op de beoogde verkoopprijzen zoals [partij] en anderen die op de zitting van de rechtbank hebben genoemd, in combinatie met de door de rechtbank ook in aanmerking genomen omvang van de appartementen. De Vereniging en anderen hebben niet toegelicht waarom de beoogde verkoopprijs en omvang volgens hen zouden moeten leiden tot een indeling in een hoger segment. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college ervan mocht uitgaan dat voor de nieuwe appartementen zeven parkeerplaatsen nodig zijn. 7.4. Het college moet beoordelen of de voor het bouwplan benodigde parkeerplaatsen zoals voorzien in de aanvraag om omgevingsvergunning ook daadwerkelijk gerealiseerd en gebruikt kunnen worden. Zie in dit verband de uitspraak van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:937, onder 5.2. Daarbij spelen de beschikbare manoeuvreerruimte en de bereikbaarheid een rol. 7.5. Voor de maatvoering van parkeerplaatsen verwijst de Nota parkeernormen naar de LIOR. In hoofd 8. [partij] en anderen hebben de Afdeling op de zitting verzocht om in geval van een geslaagd betoog over parkeren zelf in de zaak te voorzien door de rechtsgevolgen van de verleende omgevingsvergunning in stand te laten. Zij heeft in dit verband gewezen op het alternatieve parkeerplan dat zij in bezwaar heeft overgelegd. Dit is een tekening waarop op het parkeerterrein acht haaksparkeerplaatsen zijn ingetekend op de strook van ongeveer 9,5 m naast de toegangsweg, in de vorm van vier maal twee parkeerplaatsen achter elkaar. De bezwarencommissie heeft er in haar advies van 20 december 2021 al op gewezen dat een parkeerplaats op eigen erf met de lengte van twee auto’s wordt gerekend als één parkeerplaats, zodat ook op deze wijze niet aan de Nota Parkeernormen 2021 en de LIOR wordt voldaan. Het college heeft dit op de zitting bevestigd. Alleen al daarom ziet de Afdeling in dit alternatieve parkeerplan dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Brandveiligheid 9. De Vereniging en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat niet wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit over brandveiligheid. Zij baseren zich op de in beroep ingebrachte tegenrapporten van MVH Adviseurs. Uit de aangepaste bouwtekening blijkt volgens hen niet dat de appartementen brandveilig kunnen worden uitgevoerd. Verder wijzen zij op het aanvankelijke negatieve advies van de brandweer van 20 mei 2019, dat is uitgebracht naar aanleiding van een eerder principeverzoek tot splitsing van het appartement. Dit negatieve advies hing samen met de toegangsweg voor hulpdiensten, de opstelplaats voor blusvoertuigen en de bluswatervoorziening. Volgens hen is er in de aanvraag om omgevingsvergunning niets veranderd aan de aspecten die tot dit negatieve advies hebben geleid. Uit het nieuwe advies van de brandweer van 23 maart 2021 blijkt niet waarom nu wel positief is geadviseerd. Volgens hen heeft de rechtbank in dit verband onvoldoende betekenis toegekend aan de tegenrapporten van MVH waarin is geconcludeerd dat de brandweer niet over voldoende gegevens beschikte voor een toetsing van de aanvraag en dat de toegangsweg en beoogde opstelplaats voor blusvoertuigen niet toereikend en niet bruikbaar zijn, ook omdat de naastgelegen sloot te klein is om als bluswatervoorziening te dienen. 9.1. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo moet de vergunning worden geweigerd als de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens volgens het college niet aannemelijk maken dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld in het Bouwbesluit 2012. Het college komt daarbij beoordelingsruimte toe. 9.2. Uit artikel 4 van de Woningwet volgt dat als een bouwwerk gedeeltelijk wordt vernieuwd, veranderd of vergroot, de voorschriften uit het Bouwbesluit, voor zover zij betrekking hebben op dat bouwen, slechts van toepassing zijn op die vernieuwing, verandering of vergroting. In de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit (Stb. 2011, 416, blz. 158-159) staat dat hieruit volgt dat alleen de fysieke ingrepen bij de verbouwing behoeven te voldoen aan de voorschriften die op grond van dit besluit daarop van toepassing zijn en dat de onderdelen van de ruimte die bij de verbouwing ongewijzigd blijven daarbij buiten beschouwing moeten worden gelaten. 9.3. Het bouwplan gaat uitsluitend over de splitsing van een appartement naar vier appartementen op de verdiepingen van het pand, waarbij het trappenhuis een extra beveiligde vluchtroute moet worden. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het college aan de hand van het gemotiveerde rapport van Nieman van 14 september 2021 en de aangepaste bouwtekening van 2 december 2021 aannemelijk mocht achten dat dit bouwplan in overeenstemming met de daarvoor relevante brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit kan worden uitgevoerd. Wat de Vereniging en anderen hebben aangevoerd onder verwijzing naar de tegenrapporten van MVH geeft de Afdeling geen aanleiding vo