Rechtspraak Raad van State 2026-03-02
ECLI:NL:RVS:2026:1141
202506086/2/R4. Datum uitspraak: 2 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) in het geding tussen: [verzoeker], wonend in Veenendaal, verzoeker, en het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 11 november 2025 heeft het college het "Wijzigingsbesluit 3e wijziging Omgevingsplan, deel I" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal vastgesteld (het besluit tot wijziging). Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [verzoeker] en het college hebben nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 20 februari 2026, waar [verzoeker], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Barchouch en A.E. van de Weerdhof-Hulshof, zijn verschenen. Verder is op de zitting [belanghebbende] gehoord. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2. Het besluit tot wijziging betreft de derde wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal. Met het besluit tot wijziging worden een aantal technische aanpassingen en een aantal inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd in het omgevingsplan. De inhoudelijke wijzigingen betreffen het corrigeren en de actualisatie van verschillende algemene regels uit het omgevingsplan. Er is met het besluit tot wijziging niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. 3. [verzoeker] woont op de [locatie A] in Veenendaal. Zijn perceel grenst aan een perceel met bomen, het zogenoemde ‘bosje Kerkewijk’, waarvan [belanghebbende] de eigenaar is. [verzoeker] wil dat het bosje beschermd wordt in het omgevingsplan, zodat daarbinnen geen bomen gekapt kunnen worden zonder omgevingsvergunning. Hij vindt dat het college dit had moeten regelen in het besluit tot wijziging. Nu dat niet is gebeurd, is het besluit tot wijziging volgens [verzoeker] onzorgvuldig tot stand gekomen. Zijn verzoek strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bepaalt dat zonder omgevingsvergunning geen bomen mogen worden gekapt of houtopstanden mogen worden geveld in het bosje. Partijen verschillen van mening over de vraag of het college de wens van [verzoeker] om de bomen in het besluit tot wijziging te beschermen had moeten betrekken bij de voorbereiding van dat besluit. 4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van [verzoeker] niet ontvankelijk is, omdat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter stelt vast dat [verzoeker] een zienswijze heeft ingediend. Alleen daarom al gaat de voorzieningenrechter er, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953 (zie met name rechtsoverweging 4.7), en 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1928 (zie met name rechtsoverweging 3.3) van uit dat het beroep van [verzoeker] in de bodemprocedure ontvankelijk zal zijn. 5. De voorzieningenrechter kan, gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. [verzoeker] heeft toegelicht dat zijn spoedeisend belang erin is gelegen dat op dit moment ter plaatse van het bosje zonder omgevingsvergunning bomen kunnen worden gekapt of houtopstanden kunnen worden geveld. Hij wil voorkomen dat dit daadwerkelijk gebeurt voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. Hij vreest dat de fysieke leefomgeving a