Rechtspraak Raad van State 2026-02-25
ECLI:NL:RVS:2026:1089
202204567/2/R2. Datum uitspraak: 25 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in Breda, appellant, en de raad van de gemeente Breda, verweerder. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3003 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 15 juni 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Princenhage, Tuinzigtlaan 12" en het besluit van 22 december 2022 tot vaststelling van het paraplubestemmingsplan " Hospita en parkeren 2022" te herstellen. Bij besluit van 6 november 2025 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Princenhage, Tuinzigtlaan 12", opnieuw, zij het gewijzigd, vastgesteld (hierna: het herstelbesluit). [appellant] is in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop met dat besluit de in het besluit van 15 juni 2022 en de in het besluit van 15 juni 2022 geconstateerde gebreken zijn hersteld. [appellant] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten. Overwegingen De tussenuitspraak 1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het besluit van 15 juni 2022, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Princenhage, Tuinzigtlaan 12" geheel en het besluit van 22 december 2022 tot vaststelling van het paraplubestemmingsplan "Hospita en parkeren 2022" voor zover dat parapluplan een regeling voor parkeren bevat voor het plangebied van het bestemmingsplan "Princenhage, Tuinzigtlaan 12", in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb zijn vastgesteld. 1.1. Daartoe is allereerst onder 8.2 overwogen dat de oorspronkelijk bij besluit van 15 juni 2022 elektronisch vastgestelde versie van het bestemmingsplan "Princenhage, Tuinzigtlaan 12" volgens de raad verloren is gegaan. Ook op de landelijke voorziening is de bij besluit van 15 juni 2022 elektronisch vastgestelde versie van het bestemmingsplan niet meer te raadplegen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld welk bestemmingsplan (bestaande uit de verbeelding en planregels) bij besluit van 15 juni 2022 is vastgesteld en welke correcties vervolgens zijn doorgevoerd in het (elektronisch) vastgestelde plan. 2. Daarnaast is onder 17.3 geoordeeld dat de raad bij de berekening van de parkeerbehoefte niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Onder 18.2 heeft de Afdeling vastgesteld met dat artikel 4 van het parapluplan de eis, in artikel 9.1, onder b, van de planregels van het bestemmingsplan "Princenhage, Tuinzigtlaan 12" is komen te vervallen, maar dat de Afdeling ervan uitgaat dat de raad dit niet heeft beoogd. Nu de raad in zoverre niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, achtte de Afdeling, met het oog op de voorwaarden uit artikel 9.1, onder a en b, van de planregels, niet inzichtelijk of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. En in het geval de raad wel beoogd had om de eis uit artikel 9.1, onder b, van de planregels te laten vervallen, achtte de Afdeling evenmin inzichtelijk in hoeverre buiten het terrein van het gebouw kan worden voorzien in de parkeerbehoefte. Het besluit van 15 juni 2022 en het parapluplan 3. Gelet op wat onder 8.2 in de tussenuitspraak is overwogen is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 15 juni 2022 gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd. 4. Voor zover het beroep van [appellant] ook van rechtswege gericht is tegen artikel 4 van het paraplubestemmingsplan "Hospita en parkeren 2022", dat bij besluit van 22 december 2022, is vastgesteld, is dit van rechtswege ontstane beroep gelet op r.o.