Rechtspraak Raad van State 2026-02-25
ECLI:NL:RVS:2026:1057
202406200/1/A3. Datum uitspraak: 25 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellante B], namens hun minderjarig kind [naam kind], allen wonend in [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 augustus 2024 in zaak nr. 23/7962 in het geding tussen: [appellanten] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 14 juli 2022 heeft de minister geweigerd de aanvraag van [appellanten] voor een Nederlands paspoort voor hun kind in behandeling te nemen. Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft de minister het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 januari 2026, waar [appellant A], bijgestaan, en [appellante B], vertegenwoordigd door mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat in Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door L.H.T. Geuzendam en I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen. Verder is M. Mardo als tolk verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellanten] hebben op 31 maart 2022 namens hun kind [naam kind] (hierna: kind) een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort en hebben daarvoor een geboorteakte, een identiteitsbevestiging van het kind, een huwelijksakte en een echtscheidingsakte overgelegd. De minister heeft de aanvraag op 14 juli 2022 niet in behandeling genomen. Uit onderzoek naar de echtheid van documenten van het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: Bureau Documenten) volgt dat de geboorteakte en de identiteitsbevestiging waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, omdat de opmaak en de afgifte van deze documenten afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Daarom kan niet worden vastgesteld of de inhoud van die documenten juist is. De minister heeft de aanvraag daarom op grond van artikel 52, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (hierna: Pub 2001) niet in behandeling genomen. Volgens de minister kan de identiteit en het Nederlanderschap van het kind niet worden vastgesteld. Hoger beroep 2. [appellanten] betogen allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onderzoek naar de echtheid van de brondocumenten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Zij voeren daartoe allereerst aan dat het Bureau Documenten de door hen overgelegde documenten op echtheid heeft onderzocht, maar dat een dergelijke beoordeling geen nut heeft. De minister stelt zich immers op het standpunt dat een Somalisch document bij het ontbreken van centraal gezag in Somalië nooit echt kan zijn. Daarom staat het resultaat van dat onderzoek van tevoren al vast. Het onderzoek zelf is daarmee in feite geen waarheidsvinding, maar slechts een formaliteit. Het is daarom vanzelfsprekend dat Bureau Documenten de door hen overgelegde documenten niet positief heeft bevonden. 2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3490, r.o. 3.2, waar de rechtbank ook naar verwijst, worden documenten uit Somalië in Nederland niet erkend wegens het ontbreken van centraal gezag in dat land. De minister voert het beleid dat aan het niet-erkennen van dergelijke documenten onder bijzondere omstandigheden geen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend, omdat dit anders zou betekenen dat een kind dat in Somalië is geboren uit een in Somalië gesloten huwelijk nooit het Nederlanderschap zou kunnen ontlenen aan een van de Nederlandse ouders en daarom nooit een Nederlands paspoort zou kunnen verkrijgen, wat volgens de minister sociaal onwenselijk is. Daarom laat de minister Somalische geboorte- en huwelijksakten eerst op echtheid onderzoeken door het Bureau Docume Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager, alsmede over zijn Nederlanderschap dan wel zijn behandeling als Nederlander, indien het een persoon betreft op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, wordt gebruik gemaakt van het door de aanvrager overgelegde Nederlandse reisdocument, de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens, alsmede van de in de basisadministratie dan wel de in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens of van overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten. 2. Indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken." 3.3. Artikel 52, eerste lid, van de Pub 2001 luidt: "Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2.1 tot en met 2.17 van het besluit en de artikelen 11 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen." 3.4. Iedere Nederlander heeft op grond van artikel 9 van de Paspoortwet recht op een nationaal paspoort. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is. Dit is ook opgenomen in datzelfde artikel van de Paspoortwet. Uit artikel 28 van de Paspoortwet gelezen in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit volgt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat de bewijslast om de nodige zekerheid te verschaffen over het gestelde Nederlanderschap bij de aanvrager berust (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2344). Het Bureau Documenten heeft in de Verklaring van Onderzoek van 13 juni 2022 geconcludeerd dat de overgelegde Somalische geboorteakte en identiteitsbevestiging waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. [appellanten] hebben geen eigen deskundigenadvies dat het tegendeel bewijst, overgelegd. Verder overweegt de Afdeling dat uit artikel 28 van de Paspoortwet, gelezen in samenhang met artikel 2.1 van het Paspoortbesluit, volgt dat in het kader van de beoordeling van het Nederlanderschap niet is vereist dat met volledige zekerheid kan worden vastgesteld dat de overgelegde brondocumenten door de bevoegde autoriteiten zijn opgemaakt en afgegeven. De beoordeling verlangt slechts dat de minister zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager verschaft. De stelling van [appellanten] dat het onmogelijk is om met volledige zekerheid vast te stellen dat brondocumenten bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, kan hen dus niet baten. Over het overgelegde DNA-onderzoek heeft de minister op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat DNA alleen de biologische afstammingsrelatie vaststelt en niet de identiteit, bijvoorbeeld naam of geboortedatum, van het kind. DNA-onderzoek kan daarom pas relevant zijn als het Bureau Documenten de overgelegde brondocumenten positief heeft bevonden. Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat de minister de aanvraag buiten behandeling mocht laten, omdat de minister met de door [appellanten] overgelegde documenten niet de nodige zekerheid heeft verkregen over de identiteit en nationaliteit van hun kind. 3.5. Het betoog slaagt niet. 4. Tot slot overweegt de Afdeling dat de gronden die gaan over de echtscheidingsakte van [appellant A] onderdeel uitmaken van een door de rechtbank ten overvloede gegeven overweging. Dit betekent dat deze rechtsoverweging voor het oordeel van de rechtbank niet dragend is. Deze gronden kunnen dan ook niet leiden tot een geslaagd beroep en een verni