Rechtspraak Raad van State 2026-02-25
ECLI:NL:RVS:2026:1050
202202778/1/R3. Datum uitspraak: 25 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 2], wonend in Eastrum, gemeente Noardeast-Fryslân, en anderen, ook wel genoemd "Bezwaargroep Fietspad Súd Ie", 2. [appellant sub 2], wonend in Eastrum, gemeente Noardeast-Fryslân, appellanten, en de raad van de gemeente Noardeast-Fryslân, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 10 februari 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Fietspad Súd Ie" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben de bezwaargroep en [appellant sub 2] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Fietsersbond, afdeling Fryslân, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De bezwaargroep, [appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 december 2025, waar zijn verschenen: - de bezwaargroep, bij monde van [appellant sub 2], bijgestaan door mr. P.J.J. Oosterling; - [appellant sub 2], bijgestaan door mr. F. Krol-Postma, advocaat in Heerenveen; - de raad, vertegenwoordigd door D. Keegstra, M. Moerman, R. de Groot en W. Hoeksma, bijgestaan door mr. T.D. Polak, advocaat in Groningen. Daarnaast is op de zitting als partij gehoord de Fietsersbond, afdeling Fryslân, vertegenwoordigd door [gemachtigden]. Overwegingen Omschrijving van het bestemmingsplan 1. De gemeente Noardeast-Fryslân werkt sinds 2013 samen met de provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân aan het uitvoeringsprogramma "Súd Ie en Wetterfront Dokkum". In de plantoelichting staat dat het doel van dit uitvoeringsprogramma is om de recreatieve verbindingen in het stroomgebied van de oude zeeslenk Súd Ie op te waarderen om recreatie en toerisme te bevorderen en ecologische en landschappelijke waarden te versterken. Het programma bestaat uit drie verschillende uitvoeringsfases. De eerste en tweede fasen zijn inmiddels afgerond en bestonden uit het op diepte brengen van het vaarwater van de Súd Ie, het op hoogte brengen van de bruggen over de Súd Ie ten behoeve van de bevaarbaarheid van de Súd Ie, de aanleg van vispassages en het ecologisch verrijken van de oevers. De derde en laatste fase bestaat uit het realiseren van een fietspad langs de vaarroute Súd Ie tussen Dokkum en Oostmahorn (Lauwersmeer). Het bestemmingsplan maakt de realisatie van dit fietspad mogelijk, inclusief twee recreatieve overstappunten en twee waterbelevingsstekjes, zijnde toeristisch-recreatieve rustpunten aan het water. De fietsverbinding is in totaal ongeveer 12 km. Hiervan wordt ongeveer 8 km nieuw fietspad gerealiseerd. De overige 4 km bestaat uit bestaande wegen. De partijen in deze procedure 2. [appellant sub 2] heeft een individueel beroepschrift ingediend. Zij woont aan de [locatie] in Eastrum. De woning bevindt zich aan een doodlopende weg in het buitengebied. De woning van [appellant sub 2] ligt op dit moment solitair in de weilanden. Het nieuwe fietspad is aan de oostzijde rondom de woning voorzien. Aan de westzijde van de woning bevindt zich een watergang. [appellant sub 2] betoogt dat het fietspad leidt tot een aantasting van haar woon- en leefklimaat. Zij wijst daarbij in het bijzonder op de solitaire ligging van haar woning midden in de polder. In de huidige situatie is volgens [appellant sub 2] sprake van een prikkelarme woonomgeving zonder enige voorbijgangers, afgezien van de gebruikers van de watergang aan de westzijde van haar perceel. Het nieuwe fietspad dat direct aangrenzend en rondom haar woonperceel is voorzien, heeft volgens [appellant sub 2] een enorme impact op haar woon- en leefklimaat en dan in het bijzonder op haar rust en privacy. Daarnaast wijst zij onder meer ook op de aspecten (verkeers-)veiligheid en de bescherming van de natuur, in het bijzonder de weidevogels. 3. [appellant sub 2] heeft daarnaast een tweede beroepschrift ingediend mede namens in totaal vijftien andere natuurlijke personen of agrarische bedrijven. Deze groep noemt zichzelf "Bezwaargroe Het ontwerpplan is op 21 oktober 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. 8. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. 9. Over de wijze van toetsing door de Afdeling, overweegt de Afdeling verder het volgende. 9.1. De Afdeling stelt vast dat de bezwaargroep in de bestuurlijke fase voorafgaand aan de planvaststelling al veelvuldig contact heeft gehad met de raad en het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân, onder meer via het indienen van een zienswijze. Daarbij heeft (een deel van) de bezwaargroep op bestuurlijk niveau meerdere stukken ingediend, waaronder een feitenrelaas over het alternatievenonderzoek voor het tracé van het fietspad. Dat stuk is als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Dit feitenrelaas is door de opsteller van het alternatievenonderzoek van een reactie voorzien, welke reactie ook als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. De Afdeling gaat in deze uitspraak niet in op de stukken die (een deel van) de bezwaargroep in eerdere bestuurlijke fasen voorafgaand aan de planvaststelling heeft ingediend, zoals de zienswijze met de daarbij behorende stukken en het feitenrelaas. De reden hiervoor is dat die stukken van een reactie zijn voorzien in onder meer de zienswijzennota, de plantoelichting en de bijlagen bij de plantoelichting. De Afdeling bespreekt in deze uitspraak uitsluitend de beroepsgronden zoals die door de bezwaargroep in het beroepschrift en de bij de Afdeling ingediende nadere stukken van de bezwaargroep naar voren zijn gebracht. De Afdeling zal daarbij ook ingaan op stukken uit eerdere bestuurlijke fasen, maar uitsluitend voor zover in het beroepschrift van de bezwaargroep of in nadien ingediende nadere stukken van de bezwaargroep concreet is aangegeven op welke punten de weerlegging daarvan in bijvoorbeeld de zienswijzennota onjuist is. 9.2. De Afdeling plaatst in dit verband vooraf ook een kanttekening. De Afdeling zal in deze uitspraak de beroepsgronden van de bezwaargroep uitsluitend inhoudelijk beoordelen als ten aanzien van die beroepsgronden belangen van de deelnemers van de bezwaargroep in het geding zijn. De Afdeling verwijst hierbij naar artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit artikel is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dat wordt ook wel het relativiteitsvereiste genoemd. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. De Afdeling zal dus de beroepsgronden van de bezwaargroep niet inhoudelijk bespreken, als die beroepsgronden geen verband houden met de belangen van de 10.2. Wat betreft het besluit van de raad van 4 juni 2020, waarnaar de bezwaargroep specifiek verwijst, overweegt de Afdeling dat de raad in dit besluit weliswaar heeft ingestemd met het voorkeurstracé voor het fietspad Súd Ie, maar dat dit niet betekent dat de bezwaargroep over de tracékeuze niets naar voren heeft kunnen brengen. Dat heeft de bezwaargroep wel kunnen doen door bijvoorbeeld in te spreken in de raadsvergadering van 4 juni 2020. Ook heeft de bezwaargroep een inspraakreactie naar voren kunnen brengen over het voorontwerp voor het bestemmingsplan en een zienswijze naar voren kunnen brengen over het ontwerpbestemmingsplan. In de periode tussen 2020 en de planvaststelling hebben ook meerdere informatieavonden plaatsgevonden en is contact is geweest met onder meer verschillende grondeigenaren en pachters in de omgeving van het tracé, zo blijkt uit het verweerschrift. Bovendien laat het feit dat de raad in 4 juni 2020 heeft ingestemd met het voorkeurstracé onverlet dat in deze beroepsprocedure bij de Afdeling de gemaakte tracékeuzes in het bestemmingsplan nog steeds aan de orde kunnen komen en ook door de Afdeling zullen worden beoordeeld, als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven. 10.3. De betogen van de bezwaargroep slagen niet. De reden voor de aanleg van een nieuw fietspad 11. De bezwaargroep betoogt dat de begrippen "wens", "behoefte" en "noodzaak" in de onderbouwing voor de keuze van de aanleg van een nieuw fietspad langs de Súd Ie, ten onrechte door elkaar worden gebruikt. Volgens de bezwaargroep is er wellicht een "wens" om langs de Súd Ie te kunnen fietsen en wandelen, maar dat betekent volgens de bezwaargroep nog niet dat er ook een behoefte bestaat aan dit nieuwe fietspad. Van een noodzaak om dit nieuwe fietspad te realiseren is volgens de bezwaargroep in ieder geval geen sprake. Ter onderbouwing voert de bezwaargroep het volgende aan. In de planstukken wordt weliswaar gesproken over een ontbrekende schakel in het regionale fietsroutenetwerk, maar volgens de bezwaargroep is daarvan geen sprake. Zo zijn er volgens de bezwaargroep al goede fietsverbindingen beschikbaar tussen Dokkum en Oostmahorn en zal de nieuwe fietsroute langs de Súd Ie geen ontbrekende verbindingen leggen, maar alleen parallellen van al bestaande verbindingen. Het fietsroutenetwerk rondom de Súd Ie heeft volgens de bezwaargroep al voldoende dekkingsgraad. De bezwaargroep heeft ter onderbouwing een overzicht overgelegd van de bestaande fiets- en wandelroutes in de omgeving van het plangebied. De toegevoegde waarde van het nieuwe fietspad wordt volgens de bezwaargroep ook alleen verondersteld, maar is niet vastgesteld. Zo wordt in de stukken onder meer gesteld dat zonder de aanleg van het nieuwe fietspad een bepaalde recreatieve potentie niet zou worden behaald, maar dat is volgens de bezwaargroep niet onderbouwd. Dat geldt ook voor het veronderstelde gebruik van het fietspad. Het mogelijk maken van een extra schakel in het fietsroutenetwerk als aanvulling op de al bestaande fietsroutes, betekent niet dat het nieuwe fietspad ook daadwerkelijk een grote recreatieve meerwaarde heeft, zo betoogt de bezwaargroep. De bezwaargroep stelt in dit verband dat het nieuwe fietspad niet, of alleen beperkt, langs cultuurhistorisch waardevolle locaties is gesitueerd en bovendien "slechts" 12 km lang is en daarmee al binnen een uur met de fiets bereden is. Er is dan ook geen sprake van een belangwekkende belevingsroute, zo stelt de bezwaargroep. Dat de gebruikers van het fietspad de Súd Ie beter kunnen beleven, vormt volgens de bezwaargroep ook een flinterdunne onderbouwing voor het nut en de noodzaak van het nieuwe fietspad. Zo is de nieuwe fietsroute langs de Súd Ie niet van invloed op de mogelijkheden voor het wisselen tussen varen en fiets en is de Súd Ie als vaarroute voor fietsers nauwelijks te beleven, omdat de watergang vanwege begroeiing, zoals hoog riet, grotendeels aan het zicht is onttrokken. Het landschap is met de nieuwe fietsroute Met de fietsroute langs de Súd Ie ontstaat volgens de raad een aantrekkelijke fiets- en wandelverbinding tussen beide recreatiekernen, omdat het fietsen langs de Súd Ie als oude zeeslenk zorgt voor een unieke beleving van het open Waddenlandschap met (oorspronkelijke) kwelderwal en polders en ook zorgt voor een aantrekkelijke interactie tussen varen en fietsen. De Afdeling acht dit recreatieve belang op zichzelf voldoende onderbouwd. Zo kan de Afdeling de raad volgen in zijn toelichting dat door de nieuwe fietsroute langs de Súd Ie te laten lopen, een vanuit landschappelijk oogpunt aantrekkelijke recreatieve fiets- en wandelroute ontstaat die van toegevoegde waarde is voor de recreatieve ontwikkeling in het Lauwersmeersgebied. De nieuwe fietsroute ligt weliswaar niet overal direct langs de Súd Ie, maar het merendeel van de fietsroute ligt wel langs of in de nabijheid van de Súd Ie. Dat de Súd Ie vanaf het fietspad, bijvoorbeeld door riet, wellicht niet overal direct zichtbaar zal zijn, laat onverlet dat de Afdeling de raad kan volgens in zijn standpunt dat een nieuw fietspad langs of in de omgeving van de historische zeeslenk de Súd Ie, een mogelijkheid biedt de kenmerkende elementen van het landschap van het Lauwersmeergebied beter te beleven en daarmee het gebied aantrekkelijker te maken voor de fiets- en wandeltoerist. De Afdeling volgt de raad ook in zijn standpunt dat het huidige fiets- en wandelroutenetwerk op dit punt nog niet voldoende mogelijkheden biedt. In onder meer het rapport van Arcadis "Verkenning fietspad Súd Ie" uit april 2020, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, is onderzoek gedaan naar het huidige fiets- en wandelroutenetwerk in de omgeving van de Súd Ie. In de verkenning staat dat in het huidige fiets- en wandelroutenetwerk in de omgeving van de Súd Ie ontbrekende schakels zijn te ontdekken. Zo zijn er in de huidige situatie relatief veel fietsroutes met noord-zuidverbindingen haaks op de Súd Ie, maar ontbreekt een belevingsroute langs de Súd Ie. Dit is ook afgebeeld op de afbeelding op pagina 22 van de verkenning en op pagina 2 van het bij de plantoelichting gevoegde rapport van Sweco "Analyse gebruik fietspad Súd Ie" (de gebruiksanalyse). Zo is op deze twee afbeeldingen te zien dat ten noorden van het natuurgebied Eanjumer Kolken er geen oost-westfietsverbinding loopt langs de Súd Ie. Dit leidt er ook toe dat in de huidige situatie in dit deel van het gebied een fietsverbinding ontbreekt tussen de fietsknooppunten 47 en 13. Daarnaast ontbreekt ook een fietsverbinding langs de Súd Ie in de Jouswierpolder tussen Jouswier en Eastrum, met als gevolg dat om moet worden gefietst via onder andere de N358 richting Eastrum. De Afdeling kan de raad dan ook volgen in zijn standpunt dat met de aanleg van het nieuwe fietspad langs de Súd Ie een kortere, rechtstreekse verbinding mogelijk wordt gemaakt tussen de recreatiekernen Dokkum en Oostmahorn, waarbij deze nieuwe directe verbinding, vanwege de ligging langs de Súd Ie, vanuit landschappelijk en recreatief oogpunt een meerwaarde heeft. 11.4. De tweede doelstelling is een lokale doelstelling gericht op het verbeteren van de recreatiemogelijkheden van de lokale bewoners in de omliggende dorpen. In de dossierstukken staat dat het nieuwe fietspad een impuls geeft aan de leefbaarheid in de streek, doordat het fietspad ook veelvuldig zal worden gebruikt door lokale inwoners. Het nieuwe fietspad biedt volgens de raad voor de lokale inwoners namelijk meer mogelijkheden voor (kortere) fiets- en wandelrondjes in de omgeving over meer rustige wegen, onder meer omdat veel paden rond bijvoorbeeld het dorp Eastrum tijdens de laatste ruiverkaveling zijn verdwenen. 11.5. De Afdeling begrijpt uit de stukken van de bezwaargroep dat zij de toegevoegde waarde van een fietspad langs de Súd Ie, ondanks de hiervoor besproken tweeledige doelstelling van het fietspad, anders waardeert. Dit blijkt onder meer uit de door de bezwaargroep opgenomen afbeeldingen van bestaande f Bovendien blijkt volgens de bezwaargroep uit de wijze waarop de verschillende tracévarianten in de verkenning zijn gewaardeerd niet dat aan de ligging langs de Súd Ie een zwaarder gewicht toekomt dan aan andere beoordelingscriteria. 13.1. De door de bezwaargroep aangedragen alternatieven over de bestaande wegen langs het gehele tracé, ook wel genoemd de "route over bestaande wegen noord" en de "route over bestaande wegen zuid", liggen blijkens de door de bezwaargroep overgelegde afbeelding van deze alternatieven op ruime afstand van de Súd Ie. Het gaat op sommige delen om een afstand van ruim 1 km vanaf de Súd Ie. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat met zo’n ruime afstand van een relatie met de Súd Ie geen sprake meer is, waarmee deze alternatieven niet beantwoorden aan de doelstelling van het project. De doelstelling van het project is namelijk, zoals hiervoor onder 11.3 ook is overwogen, om een recreatieve fietsverbinding langs de Súd Ie te realiseren tussen Dokkum en Oostmahorn om zo een in de visie van de raad unieke fietsbeleving langs het water te realiseren, waarmee ook de kenmerkende elementen van het landschap van het Lauwersmeergebied beter kunnen worden beleefd. In de zienswijzennota staat in dit verband onder meer: "Het fietspad creëert langs de Súd Ie samenhang tussen land en water. Deze samenhang, het kunnen beleven van het landschap, in relatie tot de recreatievaart, was een belangrijk afwegingscriterium bij het bepalen van het voorkeurstracé van het fietspad. Het pad biedt de mogelijkheid de kenmerkende elementen van het unieke landschap beter te beleven." Deze recreatieve betekenis van het nieuwe fietspad wordt wellicht door de bezwaargroep van andere betekenis gezien, maar dat laat onverlet dat de raad de keuze voor de ligging van het fietspad langs de Súd Ie naar het oordeel van de Afdeling van een deugdelijke motivering heeft voorzien en daarmee ook voldoende heeft onderbouwd waarom de alternatieven "route over bestaande wegen noord" en "route over bestaande wegen zuid" geen in aanmerking te nemen alternatieven zijn. Dat het nieuwe fietspad een weidevogelkansgebied doorsnijdt, is op zichzelf juist, maar ook dat betekent niet dat daarom het bestemmingsplan niet kon worden vastgesteld. De effecten van het nieuwe tracé op het weidevogelkansgebied komen in het vervolg van deze uitspraak onder 24 en verder aan de orde. Of de doorsnijding van het weidevogelkansgebied voor de raad aanleiding had moeten vormen om andere alternatieven te onderzoeken of van de vaststelling van het bestemmingsplan af te zien, komt onder 24 en verder van de uitspraak, en dan in het bijzonder onder 27.2, aan de orde. 13.2. Dat delen van het tracé niet geheel direct langs de Súd Ie zijn gelegen, betekent ook niet dat de doelstelling van het project feitelijke grondslag mist, zoals de bezwaargroep betoogt. De raad stelt terecht dat het merendeel van het tracé wel langs of op korte afstand van de Súd Ie ligt. Uit de verkenning blijkt, anders dan de bezwaargroep betoogt, ook niet dat aan de relatie met de Súd Ie geen zwaar gewicht zou zijn toegekend. In de verkenning zijn varianten onderzocht die steeds zoveel mogelijk recht doen aan de gewenste koppeling met de Súd Ie en daar ook op korte afstand van liggen. De Afdeling verwijst op dit punt ook naar de reactie van Arcadis op de kritiek van de bezwaargroep op de verkenning, welke reactie als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Voor zover de betogen daartoe aanleiding geven, zal de Afdeling hierna nog nader ingaan op de gemaakte keuzes voor verschillende delen van het tracé. Dat geldt onder meer voor de gemaakte tracékeuzes in het laatste deel richting Dokkum, ook wel de tracévarianten 5a en 5b genoemd en de daarbij genoemde "missing link Dokkum". Daar wordt hierna bij overweging 20 en verder op ingegaan. 13.3. Om dezelfde reden als hiervoor onder 13.1 is weergegeven, ziet de Afdeling ook geen grond om in te gaan op de door de bezwaargroep aangedragen alternatieven "Y" Daarbij verwijst de Afdeling ook naar wat hierna onder 36 en verder over de belangen van de agrariërs is overwogen. 15.3. Het betoog slaagt niet. 16. Wanneer de variant over de bestaande wegen voor de deeltracés 1 en 2 niet mogelijk is, wenst de bezwaargroep dat wat betreft deeltracé 2 zou zijn gekozen voor variant 2a, waarbij het fietspad over de zuidoever van de Súd Ie was gelegd, in plaats van de gekozen variant 2, waarbij het fietspad over de noordoever van de Súd Ie loopt. De bezwaargroep betoogt dit met het oog op het voorkomen van doorsnijding van landbouwgrond van deelnemers van de bezwaargroep. De bezwaargroep betoogt in dit verband dat bij de afweging om niet te kiezen voor variant 2a ten onrechte een zwaar gewicht is toegekend aan behoud van het rustgebied rondom de eendenkooien in het ten zuiden van deeltracé 2a gelegen natuurgebied Eanjumer Kolken. Van een rustgebied rondom de eendenkooien is volgens de bezwaargroep geen sprake, onder meer vanwege de in de huidige situatie al aanwezige predatoren in de omgeving van de eendenkooien. 16.1. In de verkenning staat dat variant 2a als zeer negatief is beoordeeld op met name de gevolgen voor de natuurwaarden. Het tracé valt namelijk binnen het natuurgebied Eanjumer Kolken. Het aantal broedvogels dat in de omgeving is geteld is hoog, waardoor de verstoring van de natuurwaarden in de Eanjumer Kolken ook hoog zal zijn, zo staat in de verkenning. Met name deze negatieve effecten op de natuurwaarden hebben voor de raad de reden gevormd om niet te kiezen voor variant 2a, zo heeft de raad op de zitting toegelicht. Het is weliswaar juist, zoals de bezwaargroep betoogt, dat in de verkenning bij de nadelige effecten van variant 2a ook is gewezen op het rustgebied rondom de eendenkooien in het natuurgebied Eanjumer Kolken, maar daargelaten de vraag of rondom die eendenkooien daadwerkelijk sprake is van een rustgebied - wat de bezwaargroep bestrijdt - blijft het feit dat variant 2a dichter in het natuurgebied Eanjumer Kolken ligt. Hiermee heeft variant 2a volgens de raad meer negatieve effecten op de natuurwaarden in dit gebied dan variant 2. Daarnaast heeft de raad op de zitting toegelicht dat de keuze voor variant 2 ook meer voor de hand ligt, omdat het fietspad dan de route van een al langere tijd bestaand wandelpad kan volgen dat ten noorden van de Súd Ie ligt. Bovendien biedt het gebruikmaken van dit wandelpad gelijktijdig de mogelijkheid de dijk waarop zich het wandelpad bevindt, te verbreden en te versterken. Dat heeft volgens de raad ook voordelen uit een oogpunt van waterhuishoudkundige belangen. De dijk moet volgens de raad namelijk worden versterkt als gevolg van de bodemdaling door de gaswinning. Zowel de natuurbelangen als ook de voordelen om het bestaande wandelpad te volgen ten noorden van de Súd Ie, hebben voor de raad de doorslaggevende redenen gevormd om te kiezen voor variant 2 in plaats van variant 2a. De negatieve effecten voor de natuur zijn ook de reden waarom er geen draagvlak is voor variant 2a bij It Fryske Gea, de beheerder van het natuurgebied Eanjumer Kolken, zo staat in de verkenning. De bezwaargroep betoogt weliswaar dat voor variant 2 via de noordoever van de Súd Ie daarentegen ook geen draagvlak bestaat bij de agrarische grondeigenaren en dat ten onrechte meer gewicht wordt toegekend aan het belang van It Fryske Gea, maar dat betekent niet dat de belangenafweging van de raad onevenredig is. De raad heeft op dit punt meer gewicht mogen toekennen aan onder meer het voorkomen van verdere natuurverstoring afgezet tegen de belangen van agrariërs om doorsnijden van hun landbouwgronden te voorkomen. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar onderstaande overweging 36 en verder waar de Afdeling nader de belangen van de agrariërs zal ingaan. 16.2. De betogen slagen niet. Varianten deeltracé 3 17. Deeltracé 3 van het fietspad is de verbinding van Kriensenswei naar Reidswâl. Voor deeltracé 3 zijn wederom drie varianten onderzocht, namelijk via de Ook scoren deze varianten volgens de verkenning negatief wat betreft de doorlooptijd en investeringskosten vanwege verschillende grondeigenaren en het grote aantal kunstwerken en duikers dat nodig is om sloten en opvaarten te kruisen. Verder is volgens de verkenning een complexere ingreep nodig vanwege een hogere ligging van de kwelderwal ter plaatse. Daarom is in de verkenning geconcludeerd dat de route over de bestaande wegen wat betreft deeltracé 3 duidelijk minder negatieve effecten heeft. 19.3. Het feit dat voor deeltracé 3 is gekozen voor een route over bestaande wegen betekent niet dat automatisch ook voor deeltracé 4 een route over bestaande wegen in plaats van langs de Súd Ie had moet worden gekozen. Daar is steeds een afweging per deeltracé voor nodig, ook in het licht van de doelstellingen van het nieuwe fietspad, welke doelstellingen hiervoor onder 11.3 en 11.4 zijn besproken. De Afdeling ziet in wat de bezwaargroep naar voren heeft gebracht, geen aanleiding voor het oordeel dat de keuze van de raad voor de ligging van deeltracé 4 onevenredig is. Dat de gekozen route voor deeltracé 4 volgens de bezwaargroep negatieve effecten heeft op weidevogels en agrarische bedrijven vanwege doorsnijding van landbouwgrond, heeft voor de raad, mede gelet op de doelstellingen van het nieuwe fietspad, geen grond hoeven vormen af te zien van deze tracéligging. De Afdeling verwijst op deze punten naar wat hierna onder 24 en verder (weidevogels) en onder 36 en verder (doorsnijding landbouwgronden) is overwogen. Daarbij overweegt de Afdeling ook dat de raad terecht stelt dat het alternatieve voorstel van de bezwaargroep om deeltracé 4 geheel over de bestaande wegen te situeren via Mitselwier of via Eastrum tot gevolg heeft dat het fietspad op nog veel ruimere afstand van de Súd Ie komt te liggen dan bij deeltracé 3. De Afdeling verwijst in dit verband ook terug naar wat hiervoor onder 13.1 tot met 13.3 over alternatieve tracéligging op ruime afstand van de Súd Ie is overwogen. 19.4. De betogen slagen niet. Varianten deeltracé 5 20. Deeltracé 5 van het fietspad is het laatste deel richting Dokkum. Voor dit deeltracé zijn in de verkenning twee onderdelen onderzocht, onderdeel 5a en onderdeel 5b. Onderdeel 5a vormt een aftakking aan het einde van deeltracé 4, vanaf de zuidoever van de Súd Ie in zuidelijke richting. Bij onderdeel 5a gaat het voor een klein deel om een nieuw fietspad vanaf de Súd Ie in zuidelijke richting om vervolgens aan te sluiten op de bestaande Tichelwei. De bestaande Tichelwei is via fietsknooppunt 11 in oostelijke richting verbonden met Eastrum en in westelijke richting verbonden met Dokkum. Onderdeel 5b vormt een aftakking halverwege deeltracé 4, ook vanaf de zuidoever van de Súd Ie in zuidelijke richting. Onderdeel 5b bestaat vanaf de Súd Ie eerst uit een nieuw fietspad om vervolgens langs de woning van onder meer [appellant sub 2] aan te sluiten op de bestaande Mellemawei, welke weg leidt naar het dorp Eastrum. Onderdeel 5a en onderdeel 5b zijn beide opgenomen in het bestemmingsplan. - Deeltracé 5a 21. Wat betreft deeltracé 5a betoogt de bezwaargroep dat het gezien de doelstellingen van het project, namelijk het realiseren van een fietsverbinding langs de Súd, onbegrijpelijk is dat aan het einde van deeltracé 4 het nieuwe fietspad niet verder langs de Súd Ie is geprojecteerd richting Dokkum, maar juist vanaf de Súd Ie in zuidelijke richting. Deeltracé 5a heeft hierdoor geen enkel raakvlak meer met de Súd Ie, zo betoogt de bezwaargroep. De bezwaargroep wijst er hierbij ook op dat in de verkenning wordt gesproken over de "missing link Dokkum". Deze missing link had kunnen worden opgelost door aan het einde van deeltracé 4 het fietspad verder langs de Súd Ie te situeren richting Dokkum. Het is volgens de bezwaargroep onduidelijk waarom hiernaar geen onderzoek is verricht. Daarbij wijst de bezwaargroep erop dat in het door (een deel van) de bezwaargroep opgestelde feitenrelaas al eerder de zogenoemde variant - Deeltracé 5b 22. Op deeltracé 5b hebben naast de beroepsgronden van de bezwaargroep, in het bijzonder de individuele beroepsgronden van [appellant sub 2] betrekking. Deeltracé 5b is, afgezien van de westzijde van de woning van [appellant sub 2] waar zich een watergang bevindt, namelijk volledig om de woning van [appellant sub 2] gelegen. In met name het beroepschrift van [appellant sub 2] zijn alternatieven aangedragen voor de ligging van deeltracé 5b. Maar op de zitting heeft [appellant sub 2] verklaard dat deze alternatieven bij nader inzien niet haalbaar of wenselijk zijn, gelet op de belangen van andere omwonenden en de belangen om een aantasting van met name weidevogels te voorkomen. Daarom zal de Afdeling deze alternatieven niet in de uitspraak bespreken. Op de zitting heeft [appellant sub 2] zich mede namens de bezwaargroep beperkt tot haar primaire beroepsgrond, namelijk dat deeltracé 5b volledig moet komen te vervallen. Hiervoor heeft zij verschillende argumenten aangedragen, die de Afdeling hierna zal beoordelen. De Afdeling gaat daarbij niet opnieuw in op de betogen dat in plaats van deeltracé 5b het fietspad, mede gezien de doelstellingen van het project, ook langs de Súd Ie kan worden gerealiseerd. Daar is de Afdeling hiervoor onder 21.1 bij deeltracé 5a al op ingegaan. Dat geldt ook voor de betogen dat in plaats van de deeltracés 5a en 5b het fietspad ook geheel over de bestaande wegen kan worden gesitueerd via Mitselwier of via Eastrum. Hiervoor verwijst de Afdeling terug naar de overwegingen 13.1 tot met 13.3 en 19.3. 23. Ter onderbouwing van het betoog dat deeltracé 5b volledig moet komen te vervallen, betoogt de bezwaargroep mede namens [appellant sub 2] primair dat met het al realiseren van deeltracé 5a, deeltracé 5b overbodig is. In dit verband betoogt de bezwaargroep dat de raad zich met het realiseren van zowel deeltracé 5a als deeltracé 5b niet houdt aan de opdracht dat moet worden gekozen voor één voorkeurstracé. In de bij de plantoelichting gevoegde verkenning staat weliswaar staat dat deeltracé 5b een recreatieve meerwaarde heeft voor de lokale bewoners van het dorp Eastrum, maar dit is volgens de bezwaargroep een nieuw criterium dat geen relatie heeft met het doel van het project, namelijk het uit toeristisch oogpunt realiseren van een fietsverbinding langs de Súd Ie. Ook zal deeltracé 5b niet zorgen voor meer toeristen en daarmee geen economisch belang dienen. Dit is ook zo gezien de omstandigheid dat er geen bedrijven langs deeltracé 5b zijn gevestigd die belang hebben bij meer fietsers/wandelaars in de omgeving, zo betoogt de bezwaargroep. De twee deeltracés leiden alleen tot een verdeling van de gebruikers van de nieuwe fietsroute over de deeltracés 5a en 5b. Volgens de bezwaargroep had kunnen worden volstaan met het realiseren van deeltracé 5a. Bovendien is volgens de bezwaargroep niet aangetoond dat de bewoners van het dorp Eastrum voorstander zijn van het realiseren van deeltracé 5b. Hiernaar is geen aantoonbaar onderzoek verricht. Daarbij betoogt de bezwaargroep ook dat de Vereniging voor Dorpsbelang Oostrum niet de belangen van het gehele dorp vertegenwoordigt, met name niet van de tegenstanders van het fietspad. Rondom het dorp Eastrum zijn er volgens de bezwaargroep al voldoende recreatiemogelijkheden en zal de nieuwe fietsroute via deeltracé 5b alleen de mogelijkheid geven voor een extra fiets- en wandelrondje. Dit beperkte voordeel van deeltracé 5b afgezet tegen de forse nadelen van dit deeltracé, in het bijzonder gelet op de forse impact op de rust en privacy van [appellant sub 2], maar ook gelet op de negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid, de aantasting van landbouwgronden en de verstoring van onder meer weidevogels, betekent volgens de bezwaargroep dat sprake is van een onevenredige belangenafweging. 23.1. De Afdeling stelt voorop dat niet is gebleken dat het realiseren van zowel deeltracé 5a als deeltracé 5b in strijd zou zijn met een aan de raad gegeven opdracht, Verordening Romte Fryslân 2014: natuur- en weidevogelgebieden 24. De bezwaargroep betoogt dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met de artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.4 van de Verordening Romte Fryslân 2014. Die artikelen hebben betrekking op natuur buiten de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en weidevogelgebieden. In deze artikelen is het volgende bepaald: "7.2.1 Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur, voorziet in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden. 7.2.2 Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart Weidevogelbieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan. 7.2.3 In de plantoelichting bij een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op agrarische gronden met bestaande natuurwaarden, wordt aangegeven op welke wijze met deze natuurwaarden in het ruimtelijk plan rekening is gehouden. 7.2.4 Van artikel 7.2.1 en artikel 7.2.2 kan worden afgeweken voor een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep; b. schade aan natuurwaarden door mitigerende maatregelen wordt zoveel beperkt als fysiek-ruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is; c. indien sprake is van een natuurgebied als bedoeld in artikel 7.2.1, wordt resterende schade aan natuurwaarden zoveel gecompenseerd als fysiekruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is; d. indien sprake is van het verloren gaan van gebied groter dan 0,5 ha dat vanwege rust en openheid voor weidevogels geschikt is als bedoeld in artikel 7.2.2, wordt dit financieel gecompenseerd door storting van een bedrag in een weidevogelfonds, volgens door Gedeputeerde Staten vast te stellen regels. De plantoelichting dient te verantwoorden op welke wijze financiële compensatie is geborgd." Natuur buiten de EHS 25. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de EHS (nu: Natuurnetwerk Nederland). Wel ligt het plangebied deels in gebieden die op "Kaart 3 - Natuur" bij de Verordening zijn aangewezen als "Natuur buiten de EHS". Het gaat om een klein deel van deeltracé 1 bij de aansluiting op de Esonbuorren, als ook om een deel van deeltracé 2. Deeltracé 2 wordt aangelegd via de noordoever van de Súd Ie. Dit deel van de noordoever van de Súd Ie ligt nog deels in het natuurgebied Eanjumer Kolken, welk natuurgebied verder voor het merendeel ten zuiden van de Súd Ie ligt. De Afdeling ziet geen reden om inhoudelijk in te gaan op de vraag of het bepaalde in de artikelen 7.2.1 en 7.2.4, welke artikelen betrekking hebben op "Natuur buiten de EHS", in de weg staat aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Op de zitting is niet gebleken dat [appellant sub 2] en de deelnemers van de bezwaargroep gronden in eigendom hebben die overlappen met het deel van het nieuwe fietspad bij de deeltracés 1 en 2 dat is gelegen in het in de Verordening aangeduide gebied "Natuur buiten de EHS". Daarnaast woont geen van hen in de nabijheid van deze specifieke gronden en maken deze als "Natuur buiten de EHS" bestemde gronden daarmee geen deel uit van hun leefomgeving. Op de zitting is ook niet gebleken welke mogelijke andere eigen belangen van [appellant sub 2] en de deelnemers van de bezwaargroep ten aanzien van deze specifieke gronden bij de deeltracés 1 en 2 in het geding zijn. Gelet op het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen rel Op dit punt wijst de Afdeling erop dat in de toelichting bij de Verordening over het vereiste van "een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang" het volgende is vermeld: "In deze afwijkingsregeling is het criterium 'openbaar belang' ruimer dan het criterium 'groot openbaar belang' dat op ingrepen in de EHS van toepassing is. Onder 'openbaar belang' kunnen ook bovenlokaal of lokaal georiënteerde, kleinschaliger ontwikkelingen vallen op het gebied van woningbouw, (verblijfs-)recreatie, infrastructuur (zoals een rondweg of een (landbouw)ontsluitingsweg) en nutsvoorzieningen, mits de noodzaak daarvan redelijkerwijs aantoonbaar is. Het kan ook gaan om particuliere initiatieven waaraan een maatschappelijke betekenis kan worden toegekend. Een ingreep kan alleen als 'noodzakelijk' worden aangemerkt, indien buiten het natuurgebied of het weidevogelgebied redelijkerwijs geen geschikte alternatieve locatie gevonden kan worden. Dat is bijvoorbeeld het geval indien sprake is van een locatiegebonden ontwikkeling, zoals een uitbreiding van een bestaande functie." Uit deze toelichting kan worden afgeleid dat in de Verordening een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen het vereiste "groot openbaar belang" in geval van ingrepen in de EHS en het vereiste "openbaar belang" in geval van ingrepen in natuur buiten de EHS, zoals in dit geval bij ingrepen in een weidevogelkansgebied. Onder openbaar belang vallen ook kleinschaligere ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld infrastructuur en recreatie, mits de noodzaak daarvan redelijkerwijs aantoonbaar is. Daarbij kan het ook gaan om (particuliere) initiatieven waaraan een maatschappelijke betekenis kan worden toegekend, zo staat in de toelichting. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat aan dit vereiste van openbaar belang in dit geval wordt voldaan. Met wat hiervoor onder 11.3 en 11.4 is overwogen, is de maatschappelijke betekenis van het nieuwe fietspad en daarmee het openbare belang door de raad voldoende toegelicht. Daarbij verwijst de Afdeling ook naar de bij de plantoelichting gevoegde gebruiksanalyse. Volgens de gebruiksanalyse heeft het fietspad, gelet op het verwachte gebruik daarvan, een meerwaarde voor het recreatieve fietsverkeer in de omgeving tussen Dokkum en Oostmahorn. De Afdeling begrijpt dat de bezwaargroep de meerwaarde van het fietspad anders waardeert, maar het is - zoals hiervoor onder 11.1 is overwogen - niet aan de Afdeling om over de toegevoegde waarde van het nieuwe fietspad haar oordeel in de plaats te stellen van dat van de raad. Gelet op wat onder 11.3 en 11.4 is overwogen, acht de Afdeling het openbare belang van het fietspad, ook in het licht van het bepaalde in artikel 7.2.4 van de Verordening, van een voldoende motivering voorzien. Ook is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een noodzakelijke ruimtelijke ingreep om het hiervoor toegelichte openbare belang te kunnen bereiken. Daarbij wijst de Afdeling erop dat blijkens de toelichting bij de Verordening om te voldoen aan het vereiste van noodzakelijkheid moet zijn onderbouwd dat buiten het weidevogelgebied redelijkerwijs geen geschikte alternatieve locatie gevonden kan worden. De Afdeling acht met wat in de bij de plantoelichting gevoegde verkenning is vermeld, voldoende onderbouwd dat aan dit vereiste is voldaan. Daarbij wijst de Afdeling erop dat, zoals hiervoor onder 11.3 is overwogen, een van de doelstellingen is een recreatieve fietsroute langs de Súd Ie te realiseren om zo een impuls te geven aan de landrecreatie in Fryslân. Omdat de Súd Ie grotendeels door weidevogelkansgebied loopt, is daarmee de ligging van het fietspad door weidevogelkansgebied een gegeven. In de verkenning is per deeltracé van het fietspad nog met verschillende varianten afgewogen of er alternatieven mogelijk zijn die enerzijds zo veel mogelijk recht doen aan het openbare belang dat is gericht op het realiseren van een fietsroute langs de Súd Ie, en anderzij De bezwaargroep betoogt weliswaar dat financiële compensatie niet kan worden gezien als het rekening houden met natuurwaarden, maar artikel 7.2.4, onder d, van de Verordening vereist in geval van een aantasting van een weidevogelkansgebied als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Verordening alleen een financiële compensatie door storting van een bedrag in een weidevogelfonds, volgens door gedeputeerde staten vast te stellen regels. In de plantoelichting moet verantwoord worden op welke wijze financiële compensatie is geborgd, zo staat in artikel 7.2.4, onder d, van de Verordening. Die financiële verantwoording is opgenomen in de plantoelichting onder verwijzing naar de factuur "weidevogelcompensatie Fietspad Súd Ie" van de provincie Fryslân, die is opgenomen als bijlage 10 bij de plantoelichting. Op deze factuur staat dat de verstoring is vastgesteld op 12,85 ha. Dit komt overeen met de 12 ha aan fysieke aantasting en verstoring van weidevogelkansgebied, zoals in het ecologisch rapport bij de plantoelichting is vermeld. De bezwaargroep heeft weliswaar betoogd dat deze oppervlakte is gebaseerd op de onjuiste aanname in het ecologisch rapport dat bij fietspaden sprake is van een verstoringscontour van 50 m, maar de Afdeling volgt de bezwaargroep niet in dit betoog. In de toelichting bij de Verordening staat onder verwijzing naar onderzoek van Bruinzeel & Schotman uit 2011, zijnde het rapport "Onderbouwing verstoringsafstanden werkplan weidevogels in Fryslân" uit 2011, dat voor een fietspad kan worden uitgegaan van een gemiddelde verstoringsafstand van 50 m. Dit komt overeen met de aanbevelingen uit het genoemde rapport uit 2011. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verstoringsafstand genoemd in dit rapport in dit geval ontoereikend zou zijn. Die aanknopingspunten ziet de Afdeling ook niet in het nadere stuk van [appellant sub 2], waarin zij verwijst naar een ecologisch onderzoek dat is verricht voor een fietspad op een andere locatie, namelijk in het Waddengebied. 27.5. De Afdeling concludeert dat zij in wat is aangevoerd geen grond ziet voor het oordeel dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met de artikelen 7.2.2 en 7.2.4 van de Verordening over weidevogelkansgebied. De betogen slagen niet. Artikel 7.2.3 van de Verordening 28. De bezwaargroep betoogt dat het bestemmingsplan ook is vastgesteld in strijd met artikel 7.2.3 van de Verordening. Ter onderbouwing betoogt de bezwaargroep dat er ten onrechte alleen financiële compensatie plaatsvindt voor verstoring van natuurwaarden. 28.1. Zoals hiervoor onder 24 is weergegeven, is in artikel 7.2.3 van de Verordening vereist dat in de plantoelichting bij een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op agrarische gronden met bestaande natuurwaarden, wordt aangegeven op welke wijze met deze natuurwaarden in het ruimtelijk plan rekening is gehouden. In de toelichting bij de Verordening staat in dit verband: "In de artikelen 7.2.1 t/m 7.2.3 staan beschermende regels voor natuurwaarden buiten de EHS. Het gaat om: - Bestaande natuurgebieden buiten de EHS. Dit zijn in principe de gebieden die volgens het Streekplan al een hoofdfunctie natuur hebben, zoals bestaande bosgebieden en de belangrijke houtwallen en pingoruïnes die als onderdeel van het ecologisch netwerk functioneren. Deze gebieden zijn opgenomen op de verordeningskaart Natuur. Tegelijk met de herbegrenzing van de EHS zijn ook deze gebieden in overleg met gemeenten gecontroleerd op juistheid en actualiteit. De kaart is daaraan aangepast (artikel 7.2.1). - De gebieden die door hun openheid en rust kansrijk zijn voor weidevogels (artikel 7.2.2). - Natuurwaarden in agrarisch gebied; dit kunnen natuurelementen zijn zoals houtsingels en waterelementen (artikel 7.2.3)." 28.2. Uit de toelichting bij de Verordening volgt dat artikel 7.2.3 van de Verordening gaat over specifieke natuurelementen in agrarisch gebied. Dit zijn niet de natuurgebieden buiten de EHS en de weidevolgebieden, Volgens de raad is het fietspad ingepast met respect voor de in de Structuurvisie voor het plangebied omschreven landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Ter onderbouwing stelt de raad dat het fietspad zoveel als mogelijk langs bestaande landschappelijke lijnen en bestaande infrastructuur is gelegd om zo de openheid intact te laten. Zo volgt het fietspad of de kades van de Súd Ie of de al bestaande landschapslijnen, zoals kavelsloten en bestaande ontsluitingspaden en wegen. Het fietspad wordt aangelegd op de hoogte van de bestaande kade en/of op maaiveldniveau, volgt het bestaand reliëf en het bestaande bochtige karakter van het polderlandschap. De waterlopen en sloten blijven behouden en er wordt geen opgaande beplanting toegevoegd, zo staat in het verweerschrift. Het fietspad houdt het landschap volgens de raad herkenbaar en maakt het juist nog beter leesbaar. 30.2. De Afdeling ziet in wat de bezwaargroep heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 2.1.1 van de Verordening. Ter onderbouwing overweegt de Afdeling het volgende. Dat het areaal natuurgebied wordt verkleind, is al afgewogen in de voorgaande overwegingen 24 tot en met 28.2 met toepassing van de artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.4 van de Verordening. De enkele omstandigheid dat areaal natuurgebied wordt verkleind, betekent niet dat zich automatisch ook strijd voordoet met artikel 2.1.1 van de Verordening, inhoudende dat het plan moet voorzien in een zorgvuldige inpassing van de ontwikkeling binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Dit is een zelfstandige toets aan de hand van wat onder meer in de Structuurvisie is vermeld over de waarden van het plangebied en omgeving. De Afdeling is gelet op wat hiervoor onder 30.1 is overwogen, van oordeel dat bij de planvaststelling voldoende met de waarden van het plangebied en omgeving rekening is gehouden. Daarbij overweegt de Afdeling dat de betogen over het kruinige dijkje bij deeltracé 2, als ook de betogen over de landschapontsierende constructie bij de Saatsenwei (deeltracé 1 en 2), niet inhoudelijk besproken hoeven te worden gelet op het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste. Niet gebleken is namelijk dat op dit punt belangen van de bezwaargroep in het geding zijn. Zo is niet gebleken dat een van de deelnemers van bezwaargroep daadwerkelijk zicht heeft op deze landschapselementen bij de deeltracés 1 en 2. De Afdeling verwijst hierbij terug naar wat hiervoor onder 9.2 over het relativiteitsvereiste en onder 15.1 over de volgens de bezwaargroep landschapontsierende constructie bij de deeltracés 1 en 2 is overwogen. Dan resteren de betogen van de bezwaargroep dat het landschap zal worden ontsierd door nieuwe betonpaden, door onverharde graswandelpaden die verloren gaan en doordat smalle en vaak doodlopende landwegen als onderdeel van de cultuurhistorische kernkwaliteiten van de omgeving zullen worden omgezet in doorgaande fietswegen. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat dit niet betekent dat daarmee de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten is aangetast. Artikel 2.1.1 van de Verordening vereist een zorgvuldige inpassing van het tracé van het fietspad binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van de omgeving, maar vereist niet dat al die kernkwaliteiten in stand worden gehouden en dat geen enkele mate van aantasting zou mogen plaatsvinden. De Afdeling is van oordeel dat de raad kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de aanleg van het verharde fietspad in dit geval een ontwikkeling is met een beperkt ruimtelijk effect op het landschap. Dit is onder meer zo gezien de omstandigheid dat het fietspad zoveel als mogelijk langs bestaande landschappelijke lijnen en bestaande infrastructuur wordt gelegd, zoals hiervoor onder 30.1 is toegelicht. Er bestaat op basis van wat is aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat de blijvende herke Daarnaast zijn de taluds langs de genoemde wegen volgens de bezwaargroep steil, waardoor bermgebruik door trekkers en/of ander gemotoriseerd verkeer en fietsers niet verkeersveilig mogelijk is. Sweco noemt weliswaar ook als mogelijkheid om gebruik te maken van dammen en/of perceelingangen langs de genoemde wegen, maar die liggen volgens de bezwaargroep regelmatig te ver uit elkaar. Bovendien kan het gebruiken van dammen en perceelingangen volgens de bezwaargroep leiden tot problemen wanneer het landbouwverkeer juist via die dammen of perceelingangen toegang wenst te krijgen tot de achterliggende percelen. 35.1. In de nadere memo van Sweco die bij het verweerschrift is gevoegd, staat dat de Bergsmawei, Mellemawei en Tichelwei erftoegangswegen zijn waar geen sprake is van een doorgaand karakter of een ontsluitingsfunctie. Er is op deze wegen in principe alleen sprake van beperkt bestemmingsverkeer. Dat kan het verkeer zijn naar enkele boerderijen/huizen en enkele landbouwpercelen, zo staat in de nadere memo. Op elk van deze wegen zal volgens de nadere memo sprake zijn van hooguit enkele tientallen verkeersbewegingen per etmaal, waarmee de verkeersintensiteit zeer beperkt is. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat met name gelet op de zeer beperkte verkeersintensiteit het fietsverkeer op de Bergsmawei, Mellemawei en Tichelwei naar verwachting verkeersveilig is af te wikkelen. Dat laat onverlet dat er wel maatregelen denkbaar zijn om de verkeersveiligheid te bevorderen, zoals ook in de plantoelichting staat. Die maatregelen zijn met name in de vorm van fietsuitwijkplaatsen in combinatie met bijvoorbeeld bebording, zoals blijkt uit de nadere memo van Sweco. De bezwaargroep heeft weliswaar verschillende betogen naar voren gebracht over bijvoorbeeld de exacte situering van deze uitwijkstegen en de breedte daarvan, maar de Afdeling ziet alleen al vanwege de beperkte verkeersintensiteit op de genoemde wegen, geen reden om te eisen dat uit een oogpunt van verkeersveiligheid al voor de planvaststelling nader was uitgewerkt en verzekerd hoe invulling wordt gegeven aan het realiseren van de fietsuitwijkplaatsen en eventuele andere fysieke maatregelen. De Afdeling concludeert dan ook dat zij in wat is aangevoerd, geen grond ziet voor het oordeel dat het aspect verkeersveiligheid zou moeten leiden tot een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. 35.2. De betogen slagen niet. Effecten op de agrarische bedrijven in de omgeving Doorsnijding van landbouwgrond 36. De bezwaargroep wijst erop dat het nieuwe fietspad deels landbouwgronden zal doorsnijden. Van een serieuze afweging van de effecten die dit heeft op de agrarische bedrijven die deze landbouwgronden in gebruik hebben, is geen sprake geweest, zo betoogt de bezwaargroep. Het behoud van landbouwgrond en dan met name van de huiskavel is steeds belangrijker voor de agrarische sector, zo stelt de bezwaargroep. In de alternatievenafweging is volgens de bezwaargroep onvoldoende inzicht gegeven in de effecten op het verlies aan landbouwgrond, onder meer door de huiskavels van agrarische bedrijven niet aan te duiden en in de alternatievenafweging niet duidelijk aan te geven voor welke alternatieven landbouwgrond nodig is. Er zijn volgens de bezwaargroep voldoende alternatieven voor de tracéligging die een doorsnijding van landbouwgrond voorkomen. Ook betoogt de bezwaargroep dat onteigening een disproportioneel middel is gezien het geringe belang van het fietspad. 36.1. De Afdeling stelt voorop dat zij, anders dan de bezwaargroep betoogt, uit wat in de verkenning is vermeld, afleidt dat bij de tracékeuze wel degelijk de effecten op doorsnijding van en verlies aan landbouwgronden zijn meegenomen. Om van een zorgvuldige afweging bij de tracékeuze te kunnen spreken is, anders dan de bezwaargroep wenst, niet vereist dat in de verkenning expliciet op de kaarten alle huiskavels van de agrarische bedrijven waren aangeduid. Uit onder meer het inspraakverslag en Door het steeds drukkere vaarverkeer aan de westzijde van haar woning en door de fietsers en wandelaars op het fietspad langs de andere delen van haar woning. Uit de planstukken leidt zij af dat het gaat om een substantieel aantal gebruikers van het fietspad, namelijk minimaal 250 gebruikers per dag, wat neerkomt op ongeveer iedere drie minuten een passant langs haar woning. Het nieuwe fietspad heeft tot gevolg dat zij al haar privacy, waaronder bij de zitplekken in haar tuin, kwijt is, meent [appellant sub 2]. Zij zal zich niet meer vrij op haar erf kunnen bewegen. Naast haar privacy gaat het ook om een aantasting van de rust, zo betoogt [appellant sub 2]. Zij wijst daarbij op het geluid van pratende fietsers en wandelaars, als ook op de hinder van gebruikers van het fietspad die naar verwachting regelmatig abusievelijk niet de juiste route van het fietspad, maar het doodlopende pad richting haar woning zullen volgen. Dat de fietsers en wandelaars haar woning kunnen bereiken, leidt er volgens [appellant sub 2] ook toe daar haar veiligheid afneemt. Zij wijst daarbij op de afgelegen ligging van haar woning en het ontbreken van verlichting op het fietspad, waardoor (sociale) controle niet mogelijk is. Ook betoogt [appellant sub 2] dat zij hinder van de fietsers en wandelaars zal ondervinden om haar woning te kunnen bereiken, bijvoorbeeld doordat zij regelmatig achter de fietsers zal moeten blijven rijden, omdat passeren van de fietsers niet altijd mogelijk is. Volgens [appellant sub 2] blijkt nergens uit de dossierstukken dat aandacht is besteed aan deze negatieve impact van het fietspad op haar woon- en leefklimaat en hoe deze negatieve impact is meegewogen in de belangenafweging. Zij wijst er daarbij op dat zij alternatieven voor het tracé heeft aangedragen. Daar is volgens haar niet op gereageerd. Maatwerk is niet geboden, zo stelt [appellant sub 2]. 39.1. De Afdeling stelt voorop dat zij [appellant sub 2] niet volgt in haar betoog dat met de effecten van het nieuwe fietspad op haar woon- en leefklimaat bij de planvaststelling geen rekening is gehouden. Dat is wel het geval geweest, zo blijkt onder meer uit zowel het inspraakverslag als ook uit de zienswijzennota. De reden dat [appellant sub 2] van mening is dat de negatieve effecten op haar woon- en leefklimaat niet in de belangenafweging zijn meegenomen, is gelegen in het feit dat [appellant sub 2] aan deze negatieve effecten een aanzienlijk zwaarder gewicht toekent dan de raad in zijn belangenafweging heeft gedaan. Maar dat betekent niet dat de belangenafweging van de raad onevenredig is. De raad is van mening dat het woongenot van [appellant sub 2] niet zo afneemt dat geen sprake meer is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij stelt de raad dat een fietspad niet een zo’n grote ingreep is dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] onevenredig wordt aangetast. De Afdeling volgt de raad hierin. Het fietspad zal weliswaar voor een groot deel langs de woning van [appellant sub 2] komen te liggen, maar de Afdeling volgt [appellant sub 2] niet in haar betoog dat dit fietspad leidt tot zo’n aantasting van haar rust, privacy en uitzicht dat moet worden geoordeeld dat de nadelige gevolgen van het plan voor haar onevenredig zijn. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het gaat om een extensief recreatief fietspad dat gebruikt wordt door wandelaars en fietsers, waarmee anders dan [appellant sub 2] stelt, de geluidhinder van dit fietspad beperkt is. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar de memo van FUMO, die als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd. Daarin staat dat voor een toeristisch fietspad de Wet geluidhinder niet van toepassing is en dat fietsers langs de woning van [appellant sub 2] geen noemenswaardige geluidsoverlast zullen veroorzaken en daarom het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] niet negatief zullen beïnvloeden. De Afdeling begrijpt dat dit voor [appellant sub 2] onverlet laat dat zij wel zicht heeft op de wandelaars en fietsers Het afsluiten van de Eastrumer Opfeart voor (gemotoriseerd) vaarverkeer heeft naar het oordeel van de Afdeling bovendien ook geen verband met het bestemmingsplan voor het fietspad dat in deze procedure aan de orde is. 41.2. Het betoog van [appellant sub 2] slaagt in zoverre dan ook niet. 41.3. Wat betreft de wens van [appellant sub 2] over de doorvaarhoogte onder een nieuw te realiseren fietsbrug, stelt de Afdeling vast dat het bestemmingsplan binnen de bestemming "Verkeer - Fiets- en voetpaden", binnen welke bestemming de fietsbrug gerealiseerd kan worden, bij de bouwregels geen regels bevat over de doorvaarhoogte onder de brug. Het bestemmingsplan staat er niet aan in de weg dat een doorvaarhoogte van 1,5 m wordt gerealiseerd, maar verplicht daar ook niet toe. De Afdeling ziet geen grond om van de raad te eisen dat hij op dit punt nadere regels in het bestemmingsplan had opgenomen. De belangen van [appellant sub 2] verplichten hiertoe naar het oordeel van de Afdeling niet. 41.4. Het betoog slaagt niet. Soortenbescherming en stikstof 42. Met name [appellant sub 2] heeft in haar individuele beroepschrift gewezen op de effecten van het fietspad op beschermde diersoorten. Op dit punt wijst de Afdeling erop dat de toetsing wat betreft de effecten van de aanleg en ingebruikname van het fietspad op beschermde diersoorten in deze bestemmingsplanprocedure beperkt is. De reden hiervoor is dat de bescherming van diersoorten in afzonderlijke wetgeving is geregeld en dat deze wetgeving zowel bij de aanleg als bij de ingebruikname van het fietspad in acht moet worden genomen. Over het al dan niet voldoen aan deze wetgeving bestaan afzonderlijke procedures los van dit bestemmingsplan. In deze procedure over dit bestemmingsplan beoordeelt de Afdeling daarom uitsluitend of de raad op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Als dat het geval is, dan had de raad het bestemmingsplan namelijk niet mogen vaststellen. Daarnaast geldt dat [appellant sub 2], maar ook de personen die onderdeel zijn van de bezwaargroep, zich niet in algemene zin kunnen beroepen op de effecten van het fietspad op soorten die in de omgeving van het fietspad voorkomen. Artikel 8:69a van de Awb bevat op dit punt een beperking. De Afdeling verwijst terug naar wat hiervoor onder 9.2 hierover is overwogen. Wat betreft het soortenbeschermingsregime geldt dat dit regime niet strekt ter bescherming van een appellant, als de afstand van de woning van de appellant tot de gronden waarop volgens de appellant beschermde diersoorten voorkomen meer dan 100 m bedraagt. Bij een grotere afstand dan 100 m, wordt in het algemeen door de Afdeling aangenomen dat de kwaliteit van de directe leefomgeving van appellant onvoldoende verband houdt met de bescherming van deze diersoorten. 42.1. [appellant sub 2] wijst in haar beroepschrift deels op beschermde diersoorten die voorkomen op een afstand van meer dan 100 m van haar woning. Op dit punt geldt dus dat het soortenbeschermingsregime voor die diersoorten niet strekt ter bescherming van haar belang. Voor het overige geldt dat de Afdeling het beroepschrift van [appellant sub 2] als ook de nadere stukken van [appellant sub 2] te algemeen acht om te kunnen concluderen dat het soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg zal staan. [appellant sub 2] heeft in haar beroepschrift een grote hoeveelheid aan diersoorten opgesomd, die volgens haar in de omgeving van haar woning voorkomen. Maar dat is onvoldoende om te twijfelen aan de conclusies in het bij de plantoelichting gevoegde ecologisch rapport dat het soortenbeschermingsregime, onder meer door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg zal staan. Dat geldt ook voor de waterspitsmuis, waarnaar in een nader ecologisch onderzoek bij de plantoelichting nog specifiek onder De hiervoor onder 44 vermelde betogen van de bezwaargroep zijn in feite een herhaling van wat hiervoor in deze uitspraak al is besproken over onder meer de redenen voor de aanleg van het nieuwe fietspad, de gemaakte tracéafwegingen en ook de belangen op het gebied van bijvoorbeeld natuur en milieu. Deze onder 44 vermelde betogen zijn te algemeen om te kunnen oordelen dat de raad bij de planvaststelling geen rekening zou hebben gehouden met beleid van het rijk en de provincie. 44.2. De betogen hierover slagen daarom niet. 45. Ook de verwijzing van de bezwaargroep naar gemeentelijk beleid, onder meer opgenomen in het gemeentelijke Structuurplan 2025, acht de Afdeling te algemeen. Dat in dit Structuurplan wordt gesproken over het realiseren van sterke economische dragers, terwijl het fietspad volgens de bezwaargroep geen sterke economische drager is, betekent niet dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met dit gemeentelijk beleid, waaraan de raad wel gebonden is. Ook op dit punt geldt dat in hoofdstuk 3 van de plantoelichting is ingegaan op de vraag hoe het bestemmingsplan zich verhoudt tot het gemeentelijk beleid, waaronder het Structuurplan, waaruit blijkt dat het beleid opgenomen in onder meer het Structuurplan ook is gericht op het verbeteren van de voorzieningen voor recreatie en toerisme. Het bestemmingsplan draagt daaraan bij. Dat blijkt uit wat hiervoor onder 11.3 is overwogen. De betogen over de strijd met gemeentelijk beleid zijn verder te algemeen om te kunnen slagen. 46. Hetzelfde geldt voor het betoog van de bezwaargroep dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1 van de Wro, waarbij de bezwaargroep ter onderbouwing stelt dat het tracé van het nieuwe fietspad geen rekening houdt met bestaande historische uitgangspunten in de regio en geen boost geeft aan de bedrijven in de regio. Ook dit betoog vormt een herhaling van wat al eerder in deze uitspraak bij onder meer de redenen voor de aanleg van het fietspad is besproken. Wat in deze uitspraak is overwogen, geeft geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met het in artikel 3.1 van de Wro opgenomen vereiste van een goede ruimtelijke ordening. 46.1. De betogen van de bezwaargroep slagen op dit punt niet. Overig 47. De bezwaargroep heeft tot slot enkele algemene betogen naar voren gebracht over de effecten van het fietspad voor het woon- en leefklimaat van omwonenden, zoals het verliezen van rustige wandelmogelijkheden en de toename van CO2 vanwege de werkzaamheden ten behoeve van de aanleg en het onderhoud van het fietspad. Deze effecten acht de Afdeling niet zo groot dat de raad hieraan in zijn belangenafweging een zwaarwegende betekenis had moeten toekennen. 47.1. De betogen hierover slagen daarom niet. Eindoordeel 48. De bezwaargroep heeft samenvattend betoogd dat alle negatieve effecten van het fietspad in samenhang bezien, onder meer wat betreft de negatieve effecten op het woon- en leefklimaat van omwonenden, de negatieve effecten op de agrarische bedrijven in de omgeving en de negatieve effecten op bijvoorbeeld de weidevogels, het bestemmingsplan, als alle belangen tegen elkaar worden afgewogen, niet had mogen worden vastgesteld. Dit betoog volgt de Afdeling niet. Gelet op wat in deze uitspraak is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat ook wanneer alle nadelige gevolgen van het fietspad in samenhang worden bezien, deze nadelige gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het fietspad te dienen doelen. Er is dan ook, ook in acht genomen de in deze uitspraak onder 11.1 beschreven beleids- en beoordelingsruimte van de raad, geen grond voor het oordeel dat de raad niet tot de conclusie heeft mogen komen dat het bestemmingsplan een goede ruimtelijke ordening dient. De algemene betogen van de bezwaargroep dat onder meer sprake is van onevenredigheid, ongelijke behandeling en onvolledige en onzorgvuldige feitenvergaring, slagen dan ook niet. 49. De beroepen van de bezw