Rechtspraak Raad van State 2026-02-25
ECLI:NL:RVS:2026:1032
202207378/1/R3.Datum uitspraak: 25 februari 2026 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. Stichting Het Cuypersgenootschap, gevestigd in Maasgouw, 2. het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, 3. Dunea N.V., gevestigd in Zoetermeer, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 november 2022 in zaken nrs. 20/6109 en 20/6110 in het geding tussen onder andere: Het Cuypersgenootschap en het college. Procesverloop Bij besluit van 30 januari 2020 heeft het college aan Dunea een omgevingsvergunning verleend voor onder andere het slopen van veertien barakken die als gemeentelijk monument zijn aangewezen. Bij besluit van 28 juli 2020 heeft het college naar aanleiding van verschillende bezwaren, waaronder die van Het Cuypersgenootschap, de omgevingsvergunning met een aantal wijzigingen in stand gelaten. Bij uitspraak van 10 november 2022 heeft de rechtbank onder meer het door Het Cuypersgenootschap daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 juli 2020 vernietigd en het besluit van 30 januari 2020 herroepen voor zover met die besluiten de omgevingsvergunning voor de sloop van de barakken met nummers 833, 836, 845, 846, 885 en 898 is verleend. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Tegen deze uitspraak hebben Het Cuypersgenootschap, het college en Dunea hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het Cuypersgenootschap en Dunea hebben nadere stukken ingediend. Het Cuypersgenootschap heeft verzocht om een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 september 2025, waar Het Cuypersgenootschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], het college, vertegenwoordigd door mr. Z.P. Kruiver, advocaat in Den Haag, drs. D. van de Plas en A.P. Eendebak, en Dunea, vertegenwoordigd door mr. S.T.J. Olierook, advocaat in Den Haag, [gemachtigde C], [gemachtigde D] en [gemachtigde E], zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 2 oktober 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Dunea is van plan om de komende jaren de capaciteit van de drinkwaterproductie te verhogen vanwege de te verwachten toename van het aantal inwoners in het leveringsgebied. Voor die verhoging heeft Dunea het zogenoemde "programma Berkheide" opgesteld. Onderdeel van het programma is het project Mientkant, dat bestaat uit een waterwinning in de vorm van een drain in het waterwingebied Berkheide, waarmee Dunea verwacht te kunnen voorzien in de drinkwatervraag van 15.000 mensen. Voor dit project heeft Dunea een omgevingsvergunning aangevraagd voor onder andere het slopen van veertien barakken aan de westzijde van de Wassenaarseweg die als gemeentelijk monument zijn aangewezen. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend. In dat plan blijven vier barakken aan de westzijde van de Wassenaarseweg bestaan. De uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft de te slopen barakken in drie groepen onderverdeeld: van de veertien barakken staan er drie op het tracé van de drain, vijf binnen de zogenoemde 30-meter-grondwaterbeschermingszone (30-meterzone) aan weerszijden van het tracé en zes buiten de Bij de beslissing over die vergunning houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. Op basis van wat hiervoor is omschreven, moet het college bij het nemen van een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de sloop van een monument op grond van artikel 13 van de Erfgoedverordening beoordelen of het belang van de monumentenzorg zich tegen de aangevraagde sloop verzet. Het college heeft daarbij beoordelingsruimte. 4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is bij het verlenen van een omgevingsvergunning zoals hier voorligt de omschrijving bij de aanwijzing tot gemeentelijk monument van belang. De redengevende omschrijving geeft aan welke aspecten van het monument in het bijzonder beschermingswaardig zijn. Voor het wijzigen, verstoren of verwijderen van zo’n aspect is in ieder geval een omgevingsvergunning vereist. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraken van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2726, onder 5.9, en 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2092, onder 9.1. Het college heeft de barakken bij besluit van 26 november 2008 aangewezen als gemeentelijk monument. De aanwijzing gaat over 68 objecten, waaronder 32 barakken aan oost- en westzijde van de Wassenaarseweg. Op pagina 3 van de redengevende omschrijvingen die ten grondslag hebben gelegen aan de aanwijzing van de barakken als gemeentelijk monument, staat dat de ensemblewaarde van het barakkenensemble een van de belangrijkste waarden is die aanleiding heeft gegeven voor de beslissing om de barakken als monument aan te wijzen. Daarom moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de sloop van een van de barakken gekeken worden naar hoe de barak deel uitmaakt van het ensemble en in hoeverre de ensemblewaarde wordt aangetast als die barak wordt gesloopt. De herkenbaarheid van het ensemble als geheel en de onderlinge samenhang van de barakken is daarbij een zware wegingsfactor, zo staat in de redengevende omschrijvingen. Verder is in bijlage 6 bij het aanwijzingsbesluit het rapport "Marine Vliegkamp Valkenburg Barakkenensemble, Waardebepaling" van 22 augustus 2008, opgesteld door H.C.A. de Kat (rapport Waardebepaling), opgenomen. In dat rapport is beschreven dat het barakkenensemble uit verschillende deelensembles bestaat. De hoger beroepen 5. Het Cuypersgenootschap heeft hoger beroep ingesteld omdat het vindt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college de omgevingsvergunning voor het slopen van twee van de drie barakken die op het tracé staan, namelijk barakken 856 en 894, en de vijf barakken die binnen de 30-meterzone staan, namelijk barakken 861, 862, 864, 866 en 870, mocht verlenen. Het Cuypersgenootschap heeft op de zitting bevestigd dat haar beroep niet is gericht tegen de sloop van barak 872, die op de plek van de beoogde drain staat. Ook Dunea en het college hebben hoger beroep ingesteld. Zij vinden dat de rechtbank de omgevingsvergunning voor de sloop van de zes barakken buiten de 30-meterzone ten onrechte heeft herroepen. Volgens hen moeten ook deze barakken, met nummers 833, 836, 845, 846, 885 en 898, gesloopt worden. 5.1. De Afdeling behandelt hierna de hoger beroepen van Het Cuypersgenootschap, het college en Dunea gezamenlijk. De ingetrokken beroepsgronden 6. Het Cuypersgenootschap heeft zijn betoog dat de rechtbank de mogelijkheid van het verplaatsen van het tracé onvoldoende heeft onderzocht op de zitting ingetrokken. Dunea heeft haar betoog dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat artikel 3:50 van de Awb van toepassing is op het advies van de Erfgoedcommissie van de gemeente Katwijk op de zitting ingetrokken. De waarde van het advies van de Erfgoedcommissie 7. Dunea betoogt dat de rechtbank te veel gewicht heeft toegekend aan het advies van de Erfgoedcommissie van de gemeente Katwijk van 25 november 2019. Zij wijst erop dat hier geen sprake is van een rijksmonument, zodat de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2450, onder 5.3, waarnaar de rechtbank Daardoor wordt een reëel en integraal project waarbij recht aan alle relevante belangen wordt gedaan onmogelijk gemaakt, vindt het college. Ter ondersteuning van dit standpunt wijst het college op de uitspraken van de Afdeling van 21 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0462, onder 2.6.3, en van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1125, onder 60.2, waaruit volgens het college volgt dat het feit dat er voor een project alternatieven bestaan waarbij het monument gedeeltelijk behouden kan blijven, op zichzelf niet betekent dat het belang van het behoud van die monumenten per definitie zwaarder moet wegen dan het belang dat gemoeid is bij de gehele sloop van dat monument. 8.1. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de barakken niet in drie groepen heeft mogen onderverdelen. Er bestaat geen rechtsregel die zich daartegen verzet. In de verhouding tussen de monumentale belangen en de waterwinningsbelangen is deze driedeling ook niet onlogisch. Dat door deze onderverdeling de samenwerkingsovereenkomst onder druk komt te staan, zoals het college op de zitting heeft gezegd, is misschien als uitkomst voor het college ongewenst, maar dat is geen reden om de argumentatie van de rechtbank op dit punt onjuist te achten. Deze samenwerkingsovereenkomst ligt op zichzelf bovendien niet ter beoordeling voor in deze procedure. Of het oordeel van de rechtbank over de belangenafweging van het college en de gevolgen die de rechtbank daaraan verbindt juist zijn, beoordeelt de Afdeling hierna aan de hand van de concrete beroepsgronden daarover. Het betoog slaagt niet. De sloop van de barakken op het tracé en binnen de 30-meterzone 9. Het Cuypersgenootschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college een omgevingsvergunning heeft mogen verlenen voor het slopen van zeven van de acht barakken die zich op het tracé en binnen de 30-meterzone bevinden. Volgens haar verzet het belang van de monumentenzorg zich tegen de sloop van de zeven barakken. Hierover voert Het Cuypersgenootschap aan dat de barakken deel uitmaken van een gebouwenensemble dat ooit als samenhangend complex gebouwd is. Het gebouwenensemble vertegenwoordigt een ensemblewaarde, waaraan volgens Het Cuypersgenootschap meer waarde toekomt dan dat de afzonderlijke gebouwen op zichzelf hebben. Hieraan voegt Het Cuypersgenootschap toe dat de barakken gezamenlijk een dorps karakter hebben, dat gekenmerkt wordt door de lintbebouwing aan beide kanten van de Wassenaarseweg. Door de sloop van de barakken op het tracé en in de 30-meterzone wordt de lintbebouwing aan de westzijde van de Wassenaarseweg ernstig verstoord, omdat enkele van de barakken op het tracé en de 30-meterzone beeldbepalend zijn voor die lintbebouwing. Ook vertegenwoordigen de barakken volgens Het Cuypersgenootschap een hoge historische waarde. Het barakkencomplex is volgens haar namelijk in 1942 met vliegveld Valkenburg opgenomen in de Stützpunktgruppe Katwijk, die deel uitmaakte van de Atlantikwall en tijdens de Duitse bezetting zowel aanvallend als verdedigend gebruikt werd. 9.1. Op pagina 6 en 7 van het besluit van 28 juli 2020 heeft het college toegelicht hoe de ensemblewaarde van het barakkenensemble is meegewogen in de besluitvorming. Zo omschrijft het college dat de stedenbouwkundige lintbebouwing weliswaar wordt doorbroken door de sloop van de barakken aan de westzijde, maar dat dit niet betekent dat de kwaliteit van die ensemblewaarde volledig wordt weggenomen. De structuur is namelijk nog voldoende herkenbaar door het behoud van de barakken aan de oostzijde en de resterende barakken aan de westzijde van de Wassenaarseweg. Daarnaast omschrijft het college dat uit het rapport Waardebepaling volgt dat het barakkenensemble bestaat uit vijf verschillende deelensembles. Volgens het college leidt de sloop van de barakken tot aantasting van slechts twee van die vijf deelensembles, waardoor de aantasting van de ensemblewaarden volgens het college beperkt blijft. Verder heeft het college in zi Zij stellen dat de bodem in het duingebied extra kwetsbaar voor verontreiniging is, omdat de zandlaag in de bodem in vergelijking met bijvoorbeeld klei- of veenlagen weinig tot geen bescherming biedt. Bovendien heeft de rechtbank volgens het college en Dunea miskend dat de sloop van de zes barakken buiten de 30-meterzone slechts tot een beperkte aantasting van de ensemblewaarden leidt. 10.1. Anders dan de rechtbank, komt de Afdeling tot het oordeel dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen de sloop van de zes barakken buiten de 30-meterzone verzet. Het college heeft het belang van waterwinning zwaarder mogen laten wegen dan het belang van het behoud van deze zes barakken. Weliswaar staan deze barakken buiten de beschermingszone van 30 m, maar uit Tabel 1 op pagina 7 van de toelichtingsmemo blijkt dat de variant waarbij de barakken buiten de 30-meterzone behouden blijven (variant 2) negatief is beoordeeld op het punt van grondwaterbescherming. Hierover heeft het college in zijn schriftelijke uiteenzetting nader toegelicht dat in het duinlandschap beschermende bodemlagen zoals klei ontbreken, waardoor het risico op verontreiniging van het grondwater in het gebied door de barakken buiten de 30-meterzone extra groot is. De Afdeling ziet geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Hoewel op voorhand niet is uitgesloten dat de verontreinigingsrisico’s door herbestemming van deze barakken beheersbaar blijven, heeft het college zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat dat in dit geval niet haalbaar is. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat de herbestemming van de barakken vanuit het oogpunt van natuurbelangen stuit op bezwaren vanwege het aangrenzende Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide en dat herbestemming bovendien gepaard gaat met hoge kosten. Tot slot overweegt de Afdeling dat het college in zijn afweging heeft mogen betrekken dat de aantasting van de ensemblewaarden door de sloop van de zes barakken buiten de 30-meterzone beperkt blijft, ondanks dat er zes barakken zullen verdwijnen. Vier van de zes te slopen barakken buiten de 30-meterzone maken namelijk geen deel uit van een van de in het rapport Waardebepaling omschreven deelensembles, zodat de sloop daarvan ook niet leidt tot de aantasting van die deelensembles. De overige twee barakken buiten de 30-meterzone, barakken 885 en 898, maken wel deel uit van een deelensemble. Voor dat deelensemble geldt echter dat de overige barakken binnen de 30-meterzone staan en dus gesloopt mogen worden, zoals hierboven is geconcludeerd. Dat betekent dat van de ensemblewaarde van dit deelensemble ook met het behoud van de twee barakken buiten de 30-meterzone weinig resteert. Het betoog slaagt. Alternatieven voor de sloop van de barakken 11. Het Cuypersgenootschap betoogt dat er ook alternatieve plannen mogelijk zijn waarbij minder barakken gesloopt hoeven te worden, zonder dat dit gevolgen heeft voor de waterwinning. Hierover voert Het Cuypersgenootschap aan dat bij één van de drie barakken op het tracé de naoorlogse uitbouw kan worden verwijderd, zodat er voldoende ruimte is voor de aanleg van de drain. Na de aanleg van de drain zouden deze drie barakken volgens Het Cuypersgenootschap na restauratie beschikbaar kunnen blijven om onder begeleiding van Stichting Atlantikwall Katwijk bezocht te worden. Over de barakken die niet op het tracé, maar wel binnen de 30-meterzone staan, voert Het Cuypersgenootschap aan dat deze alleen aan de achterzijde slechts enkele meters binnen de 30-meterzone staan. Daarom is het volgens het genootschap mogelijk om uitsluitend de delen van deze barakken die binnen de 30-meterzone staan te slopen. Volgens Het Cuypersgenootschap zijn deze barakken beeldbepalende barakken aan de rand van de weg. De aantasting van de ensemblewaarden is daarom aanzienlijk minder als die barakken (deels) behouden blijven, vindt Het Cuypersgenootschap. 11.1. Het colle