Rechtspraak
Raad van State
2026-02-25
ECLI:NL:RVS:2026:1028
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,008 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1028 text/xml public 2026-02-27T11:16:58 2026-02-25 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-02-25 202401183/1/A2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1028 text/html public 2026-02-25T10:16:09 2026-02-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1028 Raad van State , 25-02-2026 / 202401183/1/A2 Bij besluit van 6 april 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] om haar private geldschulden over te nemen gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. [appellante] is een erkende gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een aanvraag voor overname van haar private schulden ingediend. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen en wordt nu namens de minister uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). De minister heeft op 6 april 2022 besloten de schuld bij Intrum inz Energie Direct over te nemen voor een bedrag van € 253,98. De schulden bij Defam en bij de vader van [appellante] heeft de minister geweigerd over te nemen. Omdat het bezwaar tegen dit besluit niet binnen zes weken na 6 april 2022 is ingediend, heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 202401183/1/A2. Datum uitspraak: 25 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 januari 2024 in zaak nr. 22/5246 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Financiën. Procesverloop Bij besluit van 6 april 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] om haar private geldschulden over te nemen gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Bij besluit van 18 oktober 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 31 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 december 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. R.A. Dayala, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Divis-Stein en mr. J. Rhebergen, zijn verschenen. [appellante] en de minister hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak opnieuw op een zitting behandeld op 28 januari 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.A. Dayala, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Divis-Stein, zijn verschenen. Overwegingen 1. [appellante] is een erkende gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een aanvraag voor overname van haar private schulden ingediend. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen en wordt nu namens de minister uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). 2. De minister heeft op 6 april 2022 besloten de schuld bij Intrum inz Energie Direct over te nemen voor een bedrag van € 253,98. De schulden bij Defam en bij de vader van [appellante] heeft de minister geweigerd over te nemen. Omdat het bezwaar tegen dit besluit niet binnen zes weken na 6 april 2022 is ingediend, heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De minister heeft het bezwaar van [appellante] op 23 augustus 2022 ontvangen, terwijl de bezwaartermijn op 18 mei 2022 afliep. [appellante] heeft niet onderbouwd dat zij op tijd haar bezwaar naar het postadres van de Belastingdienst/Toeslagen in Heerlen heeft gestuurd. De minister heeft bovendien toegelicht dat hij bij de postkamer in Heerlen en bij SBN navraag heeft gedaan of er een registratie is van het bezwaarschrift dat daar volgens [appellante] eerder is ingediend. Ook heeft hij nagevraagd of er een registratie is van het telefonische contact dat in juni 2022 met [appellante] zou hebben plaatsgevonden. Beide zijn niet terug te vinden in de systemen. De minister heeft verder verklaard dat het postadres voor bezwaarschriften pas in november 2022 is gewijzigd. Daarmee klopt het adres waar [appellante] haar bezwaarschrift naar zou hebben verzonden. Verder heeft [appellante] haar verklaring op zitting dat zij in de betreffende periode ziek werd en aan zware medicatie zat niet onderbouwd, aldus de rechtbank. Oordeel van de Afdeling 4. De Afdeling bespreekt hieronder de hogerberoepsgronden van [appellante]. Eerder ingediend bezwaarschrift 4.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij stelt dat zij het bezwaar al eerder een keer tijdig heeft verzonden naar het in het besluit opgenomen adres, maar dat het adres intussen is gewijzigd. Volgens haar heeft de minister onvoldoende onderzoek daarnaar gedaan door slechts navraag te doen in de eigen systemen. 4.2. In een geval waarin het bestuursorgaan het geschrift niet heeft ontvangen, is de enkele stelling dat een bezwaarschrift in een brievenbus is gedaan, is afgegeven bij een vestiging van een bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf of is afgegeven bij de instantie waarvoor het geschrift is bestemd, onvoldoende om aan te nemen dat het bezwaarschrift is verzonden of bezorgd. Het is in dat geval aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij dit heeft gedaan, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen van getuigen. 4.3. De Afdeling volgt [appellante] dus niet in haar stelling dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Het ligt immers op haar weg aannemelijk te maken dat zij binnen de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend. Zij heeft geen getuigenverklaring overgelegd of anderszins aannemelijk gemaakt dat tijdig een bezwaarschrift is ingediend. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat de minister voldoende onderzoek heeft gedaan door navraag te doen bij de postkamers van SBN en de Belastingdienst/Toeslagen in Heerlen en door de eigen postregistratiesystemen te raadplegen. 4.4. Het betoog slaagt niet. Verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding 5. Verder betoogt [appellante] dat door een combinatie van omstandigheden redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat zij in verzuim is geweest. Daarbij wijst zij erop dat ze gedupeerde is van de toeslagenaffaire, financiële moeilijkheden heeft, medische klachten heeft waarvoor zij ook medicijnen gebruikt en ten tijde van bezwaar geen professionele rechtshulp had. Volgens haar is de minister bovendien in strijd met het gelijkheidsbeginsel minder coulant dan de Uitvoeringsdienst Herstel Toeslagen bij overschrijding van de bezwaartermijnen. 5.1. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. 5.2. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. 5.3. Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend.