Rechtspraak
Raad van State
2025-03-11
ECLI:NL:RVS:2025:968
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
709 tokens
Inleiding
202500658/1/V3 en 202500658/2/V3.
Datum uitspraak: 11 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 januari 2025 in zaak nr. NL24.45802 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 24 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.R.F. Berte, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling verwijst voornamelijk naar de pagina’s 50, 83 en 86 van het AIDA rapport over 2023 om te betogen dat zij in Bulgarije geen toegang zal krijgen tot de voor haar noodzakelijke gezondheidszorg. Die pagina’s komen inhoudelijk grotendeels overeen met de pagina’s 46, 76 en 81 van het AIDA rapport over 2022 en bevatten geen wezenlijk andere informatie. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3349, onder verwijzing naar haar uitspraak van 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870, over het AIDA-rapport over 2022 geoordeeld. Het hoger beroep biedt daarom geen reden om hierover anders te oordelen.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025
347-1125