Rechtspraak
Raad van State
2025-01-14
ECLI:NL:RVS:2025:82
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,872 tokens
Inleiding
202202721/1/V1.
Datum uitspraak: 14 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[referent],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 8 april 2022 in zaak nr. NL21.14968 in het geding tussen:
referent
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van referent om zijn meerderjarige dochter een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 25 augustus 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door referent gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door referent ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft referent, vertegenwoordigd door mr. H.M.A. Breuls, advocaat te Dalfsen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Referent klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de feitelijke gezinsband met zijn meerderjarige dochter is verbroken omdat zij door het aangaan van een huwelijk en de geboorte van haar kind een zelfstandig gezin heeft gevormd en deze band niet is hersteld door haar terugkeer in het ouderlijk huis na haar gestelde scheiding. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4631, onder 5 tot en met 6.2, volgt dat het beleid van de minister om in nareiszaken geen herstel aan te nemen van een eenmaal verbroken feitelijke gezinsband, in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn. De minister heeft gelet op de uitspraak van 20 november 2024 in dit geval ondeugdelijk gemotiveerd dat er op het peilmoment van de inreis van referent geen feitelijke gezinsband bestond tussen referent en zijn meerderjarige dochter. De rechtbank heeft dat, achteraf bezien, niet onderkend.
De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 25 augustus 2021 wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen en ingaan op de vraag of er op het moment van inreis van referent een feitelijke gezinsband tussen hem en zijn meerderjarige dochter bestond en daarbij de terugkeer van de vreemdeling naar het ouderlijk huis en haar gestelde scheiding betrekken. De minister moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier in hoger beroep geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 8 april 2022 in zaak nr. NL21.14968;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 25 augustus 2021, V-[…];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij referent in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan referent het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2025
977
Inleiding
202202721/1/V1.
Datum uitspraak: 14 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[referent],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 8 april 2022 in zaak nr. NL21.14968 in het geding tussen:
referent
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van referent om zijn meerderjarige dochter een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 25 augustus 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door referent gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door referent ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft referent, vertegenwoordigd door mr. H.M.A. Breuls, advocaat te Dalfsen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Referent klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de feitelijke gezinsband met zijn meerderjarige dochter is verbroken omdat zij door het aangaan van een huwelijk en de geboorte van haar kind een zelfstandig gezin heeft gevormd en deze band niet is hersteld door haar terugkeer in het ouderlijk huis na haar gestelde scheiding. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4631, onder 5 tot en met 6.2, volgt dat het beleid van de minister om in nareiszaken geen herstel aan te nemen van een eenmaal verbroken feitelijke gezinsband, in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn. De minister heeft gelet op de uitspraak van 20 november 2024 in dit geval ondeugdelijk gemotiveerd dat er op het peilmoment van de inreis van referent geen feitelijke gezinsband bestond tussen referent en zijn meerderjarige dochter. De rechtbank heeft dat, achteraf bezien, niet onderkend.
De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 25 augustus 2021 wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen en ingaan op de vraag of er op het moment van inreis van referent een feitelijke gezinsband tussen hem en zijn meerderjarige dochter bestond en daarbij de terugkeer van de vreemdeling naar het ouderlijk huis en haar gestelde scheiding betrekken. De minister moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier in hoger beroep geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 8 april 2022 in zaak nr. NL21.14968;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 25 augustus 2021, V-[…];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij referent in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan referent het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2025
977