Rechtspraak
Raad van State
2025-02-19
ECLI:NL:RVS:2025:616
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
907 tokens
Inleiding
202402603/1/V1.
Datum uitspraak: 19 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 april 2024 in zaak nr. NL23.29825 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 18 april 2024 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Saakjan, advocaat in Maastricht, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 21 januari 2025 heeft de minister de aanvraag van de vreemdeling ingewilligd.
De vreemdeling heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn aanvraag van 6 juni 2022. Dat heeft de minister bij het besluit van 21 januari 2025 wel gedaan. Wat de vreemdeling aanvoert, schept geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2023/3 de beslistermijn met negen maanden heeft mogen verlengen. Op deze prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. In dit geval heeft de minister bij het besluit van 21 januari 2025 de aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. De vreemdeling heeft die aanvraag op 6 juni 2022 ingediend. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 21 januari 2025
4. De minister is in het besluit van 21 januari 2025 geheel aan de aanvraag van de vreemdeling tegemoetgekomen. De vreemdeling heeft in het nader stuk niet laten weten het niet eens te zijn met dat besluit. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025
977