Rechtspraak
Raad van State
2025-02-19
ECLI:NL:RVS:2025:598
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
637 tokens
Inleiding
202500416/1/V3.
Datum uitspraak: 19 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 14 januari 2025 in zaak nr. NL24.52255 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 december 2024 heeft de minister de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 14 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Matadien, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In zijn eerste grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op wat hij in beroep heeft gesteld over voortvarendheid en zicht op uitzetting. Dat had de rechtbank wel moeten doen. Dat volgt uit artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Maar het is niet gebleken dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en ook niet dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De minister heeft namelijk op de vijfde dag van de bewaring een vertrekgesprek met de vreemdeling gevoerd en het is niet gebleken dat de Britse autoriteiten de vreemdeling geen laissez-passer zullen verstrekken. Daarom faalt de grief.
2. Wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd, leidt evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het betoog geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Bekhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025
959