Rechtspraak
Raad van State
2025-11-14
ECLI:NL:RVS:2025:5658
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Mondelinge uitspraak
642 tokens
Inleiding
202503695/2/R4.
Datum uitspraak: 14 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
Stichting Inwoners Groningen, Friesland en Drenthe Boven Gas, gevestigd in Arnhem,
verzoekster,
en
de minister van Klimaat en Groene Groei,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 14 november 2025 om 11:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter
griffier: mr. L.S. Kors
Verschenen:
De minister, vertegenwoordigd door mr. K.M. van Leeuwen-Gerkema en F. van Haaster;
De Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (hierna: NAM), vertegenwoordigd door mr. S.R. Tabak, advocaat in Den Haag;
=
=
Het verzoek richt zich tegen het besluit van de minister van 23 juni 2025, waarbij is ingestemd met het door de NAM ingediende geactualiseerde winningsplan ZO-Drenthe Zuur. De stichting heeft de voorzieningenrechter verzocht dat besluit te schorsen. Zij vreest dat de gaswinning schade zal veroorzaken.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Motivering
Voor zover de stichting bij het verzoek en in beroep aspecten aan de orde heeft gesteld die raken aan het voor de minister bij het nemen van het instemmingsbesluit geldende toetsingskader, zijn daarbij naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen concrete en onderbouwde aanknopingspunten aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat het instemmingsbesluit na beoordeling in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.
Voor zover de stichting betoogt dat het instemmingsbesluit niet genomen had mogen worden zonder een financiële regeling voor onder meer het dekken van schade en het herverdelen van baten uit de gaswinning, bij welke regeling de stichting een rol zou moeten spelen, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat deze grond in de bodemprocedure niet zal slagen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het tot stand brengen van een financiële regeling met verdeling van de baten van gaswinning zoals door de stichting bedoeld, niet volgt uit het in de Mijnbouwwet en het Mijnbouwbesluit neergelegde toetsingskader voor het nemen van een instemmingsbesluit.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. De Groot
voorzieningenrechter
w.g. Kors
griffier
687