Rechtspraak
Raad van State
2025-11-21
ECLI:NL:RVS:2025:5581
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
430 tokens
Inleiding
BRS.25.001737
ECLI:NL:RVS:2025:5581
Datum uitspraak: 21 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 oktober 2025 in zaak nr. NL25.50403 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 oktober 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 23 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Hij heeft de tekst van zijn hogerberoepschrift namelijk letterlijk overgenomen uit een andere zaak die niet over hem gaat. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025
644