Rechtspraak
Raad van State
2025-11-14
ECLI:NL:RVS:2025:5567
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
805 tokens
Inleiding
202505721/1/A2.
Datum uitspraak: 14 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Bij beslissing van 25 augustus 2025 heeft de examencommissie Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam het verzoek van [verzoeker] om een extra herkansing voor het vak Ontwikkeling, voortplanting en veroudering 3 (hierna: OVV) afgewezen.
Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] administratief beroep bij het college van beroep voor de examens (hierna: CBE) ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht om hangende dit administratief beroep een voorlopige voorziening te treffen.
[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.
Het CBE heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. [verzoeker] wil het tentamen voor het vak OVV uiterlijk herkansen op zaterdag 15 november 2025 om 12:00 uur, zodat zij - bij het behalen van dat vak - op zaterdagmiddag 15 november 2025 kan deelnemen aan de ceremoniële uitreiking van het bachelordiploma Geneeskunde.
2. Niet in geschil is dat [verzoeker] daarmee een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb zonder zitting uitspraak te doen.
3. De voorzieningenrechter begrijpt dat [verzoeker] graag had deelgenomen aan de ceremoniële uitreiking van haar bachelordiploma en zij bereid was om daarvoor op korte termijn alsnog het tentamen OVV te doen. Maar gelet op het tijdstip waarop het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening is binnengekomen, namelijk op donderdag 12 november 2025 om 13:50 uur, en de aard van het verzoek - het uiterlijk zaterdag 15 november 2025 om 12:00 uur afnemen en nakijken van een tentamen en in geval van een voldoende de examencommissie te gelasten [verzoeker] aan de diploma-uitreiking van die middag te laten deelnemen - dat ook pas op 14 november 2025 als zodanig is geconcretiseerd ziet de voorzieningenrechter geen mogelijkheid om de gevraagde voorziening toe te wijzen. Niet valt in te zien dat dit redelijkerwijs nog valt te realiseren. Daarbij komt dat niet is toegelicht waarom de belangen van [verzoeker] om morgen deel te kunnen nemen aan de diploma-uitreiking, in plaats van op een later moment, zo zwaar dienen te wegen dat daarvoor met man en macht vandaag of morgen een herkansing moet worden geregeld en nagekeken, anders dan dat zij waarde hecht aan het afstuderen tegelijk met het cohort studenten waarvan zij deel uitmaakt.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
5. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025
705