Rechtspraak
Raad van State
2025-02-12
ECLI:NL:RVS:2025:555
Bestuursrecht
Verzet
429 tokens
Inleiding
202400714/5/A2.
Datum uitspraak: 12 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van:
[opposante], wonend in [woonplaats],
opposante,
tegen de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2024 in zaak nr. 202400714/3/A3.
Procesverloop
Bij uitspraak van 22 april 2024, in zaak nr. 202400714/3/A3, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het hoger beroep van [opposante] tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 januari 2024, met zaaknummer 22/759, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [opposante] verzet gedaan.
De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld op de zitting van 23 januari 2025. [opposante] is zonder bericht niet verschenen.
Overwegingen
Geschil
1. In voormelde uitspraak van 22 april 2024 heeft de Afdeling het hoger beroep van [opposante] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht, ook na aanmaning, niet is betaald. [opposante] doet verzet tegen deze uitspraak.
Oordeel
2. Het verzet is niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht. Voor de motivering van het oordeel dat [opposante] misbruik van recht maakt, verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van vandaag in zaak nummer 202401634/1/A2 (ECLI:NL:RVS:2025:467, r.o. 4-4.5).
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Ouwehand
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025
752