Rechtspraak
Raad van State
2025-11-10
ECLI:NL:RVS:2025:5393
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,219 tokens
Inleiding
202403299/1/V3.
Datum uitspraak: 10 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 mei 2024 in zaak nr. NL23.18001 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 20 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 21 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. P. Scholtes, advocaat in Delft, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht.
De staatssecretaris heeft nadere stukken ingediend, waarop de gemachtigde van betrokkene heeft gereageerd.
Bij besluit van 8 mei 2025 heeft de minister de aanvraag van betrokkene opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft betrokkene beroepsgronden ingediend.
Overwegingen
Het hoger beroep van de minister
1. Het hoger beroep van de minister leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig laat herstellen.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
2. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie
3. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de door betrokkene gemaakte proceskosten in het door haar ingestelde hoger beroep vergoeden.
Het besluit van 8 mei 2025
4. De Afdeling beoordeelt nu het beroep tegen het besluit van 8 mei 2025, dat de minister heeft genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank (artikel 6:19, eerste lid, samen met artikel 6:24 van de Awb).
5. De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene bij besluit van 8 mei 2025 opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Betrokkene gaat er met zijn betoog ten onrechte van uit dat dit is gebeurd, omdat hij met onbekende bestemming zou zijn vertrokken. Uit het besluit en het daarin ingelaste voornemen blijkt dat de minister zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft ingebracht (artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000). Of betrokkene al dan niet met onbekende bestemming is vertrokken, maakt geen deel uit van de motivering van het besluit van de minister om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren. Betrokkene is niet ingegaan op de inhoudelijke overwegingen in het voornemen en het besluit. De beroepsgrond faalt.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep ongegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak;
IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 8 mei 2025,
V. V-[…], ongegrond;
VI. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025
918-1102