Rechtspraak
Raad van State
2025-11-06
ECLI:NL:RVS:2025:5377
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
637 tokens
Inleiding
BRS.25.001768
ECLI:NL:RVS:2025:5377
Datum uitspraak: 6 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 oktober 2025 in zaak nr. NL25.31160 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit geldt ook als een terugkeerbesluit.
Bij uitspraak van 3 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker, vertegenwoordigd door mr. I.M. Hidding, advocaat in Diever, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De minister heeft op 1 november 2025 aan verzoeker de maatregel van beperking van de vrijheid van beweging opgelegd. Verzoeker is verplicht om zich met ingang van 3 november 2025 in de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel op te houden. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat zij de hogerberoepsprocedure in Nederland in de reguliere opvang kan afwachten en niet naar de vrijheidsbeperkende locatie wordt overgeplaatst.
2. Er zijn geen aanwijzingen dat de minister verzoeker op korte termijn zal uitzetten. Verder kan verzoeker, gelet op het geschil in hoger beroep, in deze procedure niet bereiken dat de voorzieningenrechter de overplaatsing naar de vrijheidsbeperkende locatie verbiedt of ongedaan maakt. Er is daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. De Wilde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025
598