Rechtspraak
Raad van State
2025-02-12
ECLI:NL:RVS:2025:508
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
781 tokens
Inleiding
202407961/3/V1.
Datum uitspraak: 12 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 11 december 2024 in zaak nr. NL24.24163 in het geding tussen:
[De vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 17 mei 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen het besluit van 17 mei 2024 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 8 december 2021 herroepen, bepaald dat de uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde besluit en de minister opgedragen om binnen een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak de gevraagde mvv aan de vreemdeling te verlenen.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 2 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening getroffen en bepaald dat de werking van de uitspraak van de rechtbank wordt opgeschort zolang geen uitspraak is gedaan op het resterende deel van het verzoek van de minister.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Gelet hierop en op de belangen die de minister en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het resterende deel van het verzoek toe te wijzen en om een voorlopige voorziening te treffen.
3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Kuijer
voorzieningenrechter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025
716-1060