Rechtspraak
Raad van State
2025-10-14
ECLI:NL:RVS:2025:4910
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,338 tokens
Inleiding
202305122/1/V1
Datum uitspraak: 14 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juli 2023 in zaken nrs. 22/7695 en 22/4133 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 21 juni 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 13 januari 2022 heeft de staatssecretaris een aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, ingetrokken.
Bij besluit van 25 november 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover gericht tegen de ingangsdatum van de intrekking, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 juli 2023 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Yildirim, advocaat in Rijswijk, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend. Appellant heeft daarop op verzoek van de Afdeling gereageerd.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Turkse nationaliteit. Hij is op [datum] 2017 getrouwd met een vrouw met de Nederlandse nationaliteit. De minister heeft hem op 4 juli 2018 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij familie- of gezinslid’.
1.1. Bij besluit van 25 november 2022 heeft de minister de aan appellant verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 5 oktober 2020 ingetrokken, omdat appellant volgens haar niet meer voldoet aan het doel waarvoor zij de verblijfsvergunning heeft verleend. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de voormalige echtgenote van appellant hun huwelijk op [datum] 2019 heeft beëindigd en de rechten die appellant had opgebouwd als Turkse werknemer op grond van artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1/80, door een jaar legale arbeid te verrichten bij dezelfde werkgever, zijn vervallen toen hij op [datum] 2020 van werkgever wisselde.
1.2. Appellant heeft op 29 september 2021 een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ te verlenen. De minister heeft de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 21 juni 2022 heeft zij het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3. Appellant heeft zowel beroep ingesteld tegen het besluit van 21 juni 2022 als tegen het besluit van 25 november 2022.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat appellant geen belang heeft bij de beoordeling daarvan. Volgens de rechtbank heeft appellant geen belang, omdat hij nog in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, geldig van 1 juni 2020 tot 1 juni 2025, en de minister ten tijde van het beroep nog aan het onderzoeken was of zij deze verblijfsvergunning ging intrekken. Volgens de rechtbank is het intrekken van de aan appellant verleende verblijfsvergunning een toekomstige onzekere gebeurtenis. Zij heeft overwogen dat uit de uitspraken van de Afdeling van 27 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN9222, onder 2.1, en 16 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2634, onder 2.2, volgt dat men geen belang kan ontlenen aan een toekomstige onzekere gebeurtenis.
Hoger beroep
3. In zijn eerste grief klaagt appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte niet expliciet heeft aangeduid voor welk besluit hij geen belang meer heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid. Ook klaagt hij terecht dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gepreciseerd welk beroep zij niet-ontvankelijk heeft verklaard. De grief leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat de Afdeling daaruit afleidt dat de rechtbank heeft bedoeld beide beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Op de uitspraak van de rechtbank staat namelijk zowel het zaaknummer van het beroep tegen het besluit van 21 juni 2022 als het zaaknummer van het beroep tegen het besluit van 25 november 2022. Verder heeft de rechtbank in het procesverloop vermeld dat appellant tegen beide besluiten beroep heeft ingesteld. Bovendien heeft de rechtbank op de dag van haar uitspraak voor beide zaaknummers een brief naar appellant gestuurd met de mededeling dat zij op het bijbehorende beroep uitspraak heeft gedaan. Uit het voorgaande volgt dat waar de rechtbank in haar uitspraak heeft gesproken over ’het beroep’, zij zich eigenlijk heeft uitgelaten over beide beroepen.
3.1. De grief slaagt niet.
4. In zijn tweede, derde en vierde grief voert appellant terecht aan dat de rechtbank ten onrechte naar de onder 2 genoemde uitspraken van de Afdeling over belang heeft verwezen, omdat deze uitspraken zijn achterhaald door de uitspraak van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1611. De grief leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant geen belang had bij zijn beroepen.
4.1. De Afdeling heeft namelijk in de uitspraak van 9 mei 2018, onder 3.2, overwogen dat in geschillen over de verlening van een verblijfsvergunning regulier, terwijl een vreemdeling al rechtmatig verblijf heeft op grond van een hem verleende verblijfsvergunning, belang in beginsel is gegeven, als de te verlenen verblijfsvergunning andere rechtsgevolgen of een eerdere ingangsdatum heeft dan de al verleende en die vreemdeling daardoor in een gunstiger positie zou kunnen raken. Dat is hier niet het geval. De Afdeling licht dat hierna toe.
Na intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij familie- of gezinslid’ met ingang van 5 oktober 2020 heeft appellant op basis van die vergunning rechtmatig verblijf gehad van 4 juli 2018 tot 5 oktober 2020. De aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier onder de beperking ’arbeid in loondienst’ is verleend met ingang van 1 juni 2020 en was ten tijde van de uitspraak van de rechtbank op 21 juli 2023 nog niet ingetrokken. De minister heeft niet de bevoegdheid om die verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken. Zij heeft de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ uiteindelijk met ingang van 24 februari 2025 ingetrokken.
Procesverloop
Daarnaast is de Afdeling niet gebleken dat deze verblijfsvergunningen andere rechtsgevolgen hebben dan de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, waardoor appellant in een gunstiger positie zou kunnen raken. Daartoe neemt de Afdeling in aanmerking dat appellant slechts procedeert over de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij familie- of gezinslid’, omdat, als de minister uitgaat van de door appellant gestelde datum van ontwrichting van zijn huwelijk op [datum] 2021, zij deze vergunning pas per die datum had kunnen intrekken en appellant daarmee voldaan zou hebben aan de vereisten voor verlening van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. Die laatstgenoemde vergunning verleent de minister in beginsel in aansluiting op de ontwrichting van een huwelijk of geregistreerd partnerschap om te voorkomen dat een vreemdeling direct zijn rechtmatig verblijf en toegang tot de arbeidsmarkt verliest. De vergunning heeft in het geval van een vreemdeling die al toegang heeft tot de arbeidsmarkt, een geldigheidsduur van maximaal een jaar en is, anders dan appellant betoogt, na een jaar niet verlengbaar; zie artikel 3.31b en artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder n, van het Vb 2000. Appellant had in de periode die de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ zou bestrijken, al toegang tot de arbeidsmarkt op grond van zijn verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid in loondienst’. Met verlening van die vergunning zou appellant dan ook niet in een gunstigere rechtspositie zijn gekomen dan hij op grond van zijn verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ al was. Laatstgenoemde vergunning was namelijk wel verlengbaar, had een langere geldigheidsduur en gaf appellant al toegang tot de arbeidsmarkt.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden waarop deze rust. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2025
574-1034