Rechtspraak
Raad van State
2025-10-03
ECLI:NL:RVS:2025:4905
Bestuursrecht
Hoger beroep
601 tokens
Inleiding
202502000/1/A2.
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/1738 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Openbare zitting gehouden op 3 oktober 2025 om 14:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer;
mr. C. Kouidar, griffier.
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door K. Demir;
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 18 februari 2025 van de rechtbank MiddenNederland.
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering
1. [appellant] verbleef ten tijde van belang in Amersfoort. Hij heeft een urgentieverklaring aangevraagd, omdat hij na zijn scheiding graag een zelfstandige woning wil in de nabijheid van zijn kinderen die in Utrecht wonen.
2. Het college heeft bij besluit van 17 januari 2024 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd, omdat niet wordt voldaan aan verschillende voorwaarden uit artikel 28, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2023 (Huisvestingsverordening). Het college heeft aan de afwijzing onder meer ten grondslag gelegd dat [appellant] niet aangemerkt kan worden als ingezetene en dat hij niet kan aantonen dat hij eerst zelf naar een oplossing heeft gezocht.
3. Uit wat [appellant] naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. Dat het begrip ingezetene in andere regelingen anders wordt uitgelegd, betekent niet dat het college die term onjuist uitlegt. De Huisvestingsverordening kent immers een eigen definitie van de term ingezetene en dat mag. Daarbij is niet in geschil dat [appellant] niet voldoet aan die definitie. Omdat dit voldoende is om de aanvraag af te wijzen, behoeven de overige gronden niet te worden besproken. Het betoog slaagt niet.
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kouidar
griffier
1120