Rechtspraak
Raad van State
2025-10-03
ECLI:NL:RVS:2025:4736
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,486 tokens
Inleiding
202401042/1/V3.
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 januari 2024 in zaak nr. NL22.25501 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2013 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Bij besluit van 16 maart 2015 heeft de staatssecretaris een herhaalde aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 november 2021 heeft de staatssecretaris een verzoek van appellant om bestuurlijke heroverweging van de besluiten van 6 mei 2013 en 16 maart 2015, afgewezen.
Bij besluit van 10 september 2023 heeft de staatssecretaris het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 november 2021 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Petkovski, advocaat in Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5.1 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025
967
Volledig
ECLI:NL:RVS:2025:4736 text/xml public 2026-05-07T09:53:45 2025-10-03 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2025-10-03 202401042/1/V3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:13679, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:4736 text/html public 2025-10-03T09:33:55 2025-10-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2025:4736 Raad van State , 03-10-2025 / 202401042/1/V3 Bij besluit van 6 mei 2013 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Bij besluit van 16 maart 2015 heeft de staatssecretaris een herhaalde aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 14 november 2021 heeft de staatssecretaris een verzoek van appellant om bestuurlijke heroverweging van de besluiten van 6 mei 2013 en 16 maart 2015, afgewezen. Bij besluit van 10 september 2023 heeft de staatssecretaris het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 november 2021 ongegrond verklaard. 202401042/1/V3. Datum uitspraak: 3 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 januari 2024 in zaak nr. NL22.25501 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 6 mei 2013 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Bij besluit van 16 maart 2015 heeft de staatssecretaris een herhaalde aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 14 november 2021 heeft de staatssecretaris een verzoek van appellant om bestuurlijke heroverweging van de besluiten van 6 mei 2013 en 16 maart 2015, afgewezen. Bij besluit van 10 september 2023 heeft de staatssecretaris het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 november 2021 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Petkovski, advocaat in Apeldoorn, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5.1 van de uitspraak van de rechtbank over. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Dijk griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025 967