Rechtspraak
Raad van State
2025-09-30
ECLI:NL:RVS:2025:4619
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,423 tokens
Inleiding
202401540/1/V3.
Datum uitspraak: 30 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 maart 2024 in zaak nr. NL24.3911 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 1 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat in Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister komt in haar enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn Tanzaniaanse paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. In de uitspraak van 14 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1071, onder 4, heeft de Afdeling uiteengezet wat van een vreemdeling verwacht mag worden om aannemelijk te maken dat zijn paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Uit het dossier blijkt niet dat betrokkene, in lijn met de in die uitspraak gestelde eisen, aannemelijk heeft gemaakt dat hij alles waar hij redelijkerwijs toe in staat is, heeft gedaan om dit aan te tonen.
1.1. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 maart 2024 in zaak nr. NL24.3911;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Vermeulen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2025
1020
Volledig
ECLI:NL:RVS:2025:4619 text/xml public 2026-04-17T16:23:19 2025-09-30 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2025-09-30 202401540/1/V3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:2551, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:4619 text/html public 2025-09-30T08:47:45 2025-10-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2025:4619 Raad van State , 30-09-2025 / 202401540/1/V3 Bij besluit van 2 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. 202401540/1/V3. Datum uitspraak: 30 september 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 maart 2024 in zaak nr. NL24.3911 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 2 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 1 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat in Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. De minister komt in haar enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn Tanzaniaanse paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. In de uitspraak van 14 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1071, onder 4, heeft de Afdeling uiteengezet wat van een vreemdeling verwacht mag worden om aannemelijk te maken dat zijn paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Uit het dossier blijkt niet dat betrokkene, in lijn met de in die uitspraak gestelde eisen, aannemelijk heeft gemaakt dat hij alles waar hij redelijkerwijs toe in staat is, heeft gedaan om dit aan te tonen. 1.1. De grief slaagt. 2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 maart 2024 in zaak nr. NL24.3911; III. verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier. w.g. Vermeulen lid van de enkelvoudige kamer w.g. Kraak griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2025 1020