Rechtspraak
Raad van State
2025-09-26
ECLI:NL:RVS:2025:4565
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,227 tokens
Inleiding
BRS.25.000580
ECLI:NL:RVS:2025:4565
Datum uitspraak: 26 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 mei 2025 in zaak nr. NL25.18593 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 13 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 4 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4255, over de rechtmatigheid van een ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 na strafrechtelijke detentie). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs‑Heuvel, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs‑Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2025
47-1102
Volledig
ECLI:NL:RVS:2025:4565 text/xml public 2026-04-02T10:08:22 2025-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2025-09-26 BRS.25.000580 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:9294, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:4565 text/html public 2025-09-24T13:02:02 2025-10-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2025:4565 Raad van State , 26-09-2025 / BRS.25.000580 Bij besluit van 18 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. BRS.25.000580 ECLI:NL:RVS:2025:4565 Datum uitspraak: 26 september 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 mei 2025 in zaak nr. NL25.18593 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 18 april 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 13 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 4 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4255, over de rechtmatigheid van een ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 na strafrechtelijke detentie). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs‑Heuvel, griffier. w.g. Willems lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Meurs‑Heuvel griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2025 47-1102