Rechtspraak
Raad van State
2025-09-12
ECLI:NL:RVS:2025:4369
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
788 tokens
Inleiding
202406419/1/V2.
Datum uitspraak: 12 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 11 oktober 2024 in zaak nr. NL24.33946 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 11 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.A. Pieters, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Bij brief van 17 januari 2025 heeft de minister laten weten dat de uiterlijke termijn om betrokkene over te dragen aan Frankrijk is verstreken en zij in beginsel moet worden opgenomen in de nationale asielprocedure. Gelet daarop rijst de vraag of de minister nog belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep.
1.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412, onder 5.2, heeft een bestuursorgaan, indien de rechtbank een besluit van dat bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, belang bij het hoger beroep, alleen al wegens de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan. In deze procedure ligt dit anders. De centrale vraag in de Dublinprocedure is welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag. In dit geval staat, gelet op de brief van 17 januari 2025, vast dat Nederland daarvoor verantwoordelijk is. Anders dan de minister aanvoert, werpt het hoger beroep verder geen rechtsvraag op die beantwoording behoeft wegens zaaksoverstijgend belang of mogelijke precedentwerking in soortgelijke zaken. De minister heeft daarom geen belang bij een beoordeling van haar hoger beroep. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3822.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2025
936