Rechtspraak
Raad van State
2025-09-15
ECLI:NL:RVS:2025:4368
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
599 tokens
Inleiding
202502854/1/V3.
Datum uitspraak: 15 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 mei 2025 in zaak nr. NL25.15434 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 april 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 12 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.G. Wiebes, advocaat in Lelystad, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In zijn enige grief voert appellant aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de besluitvorming van de minister over het voornemen dat aan het besluit van 2 april 2025 voorafging, zorgvuldig is geweest. Maar omdat de rechtbank het besluit al heeft vernietigd en heeft bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen, kan appellant met de beoordeling van zijn grief niet in een gunstigere positie komen. De Afdeling kan het voornemen niet vernietigen, omdat een voornemen geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 13 maart 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH9817, onder 2.3.1. Ook is het oordeel van de rechtbank over de besluitvorming over het voornemen niet medebepalend voor het door de minister te nemen nieuwe besluit. Appellant heeft daarom geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2025
47-1073