Rechtspraak
Raad van State
2025-08-25
ECLI:NL:RVS:2025:4061
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,977 tokens
Inleiding
202407504/1/V3.
Datum uitspraak: 25 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47092 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 november 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 12 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat in Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3. Op de zitting heeft betrokkene aangevoerd dat de minister in de grensprocedure te laat een beslissing heeft genomen over zijn asielverzoek en dat de grensdetentie daarom onrechtmatig heeft voortgeduurd. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2869.
3.1. De Afdeling stelt vast dat de minister betrokkene op 12 november 2024 in grensdetentie heeft geplaatst, dat op 16 november 2024 een aanmeldgehoor met betrokkene is gehouden en op 26 november 2024 een nader gehoor heeft plaatsgevonden. Op 2 december 2024 heeft de minister een beslissing genomen over het asielverzoek. De minister heeft deze beslissing genomen binnen vier weken, de termijn die daarvoor is gesteld in artikel 43, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om te oordelen dat de minister de asielgehoren en de beslissing op het asielverzoek heeft uitgesteld om redenen die geen verband houden met de inhoudelijke behandeling van het verzoek en daarom te laat heeft beslist.
3.2. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47092;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025
1020
Volledig
ECLI:NL:RVS:2025:4061 text/xml public 2026-05-07T10:39:16 2025-08-25 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2025-08-25 202407504/1/V3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:4061 text/html public 2025-08-25T10:41:00 2025-08-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2025:4061 Raad van State , 25-08-2025 / 202407504/1/V3 Bij besluit van 12 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. 202407504/1/V3. Datum uitspraak: 25 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47092 in het geding tussen: [wederpartij] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 12 november 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 12 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat in Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789. 1.1. De grief slaagt. 2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. 3. Op de zitting heeft betrokkene aangevoerd dat de minister in de grensprocedure te laat een beslissing heeft genomen over zijn asielverzoek en dat de grensdetentie daarom onrechtmatig heeft voortgeduurd. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2869. 3.1. De Afdeling stelt vast dat de minister betrokkene op 12 november 2024 in grensdetentie heeft geplaatst, dat op 16 november 2024 een aanmeldgehoor met betrokkene is gehouden en op 26 november 2024 een nader gehoor heeft plaatsgevonden. Op 2 december 2024 heeft de minister een beslissing genomen over het asielverzoek. De minister heeft deze beslissing genomen binnen vier weken, de termijn die daarvoor is gesteld in artikel 43, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om te oordelen dat de minister de asielgehoren en de beslissing op het asielverzoek heeft uitgesteld om redenen die geen verband houden met de inhoudelijke behandeling van het verzoek en daarom te laat heeft beslist. 3.2. De beroepsgrond slaagt niet. 4. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47092; III. verklaart het beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier. w.g. Ristra-Peeters lid van de enkelvoudige kamer w.g. Kraak griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025 1020