Rechtspraak
Raad van State
2025-08-22
ECLI:NL:RVS:2025:4040
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,313 tokens
Inleiding
202404701/1/V2.
Datum uitspraak: 22 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 juli 2024 in zaak nr. NL22.16110 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag tot het wijzigen van de beperking van de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning afgewezen.
Bij besluit van 17 augustus 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 4.3 tot en met 4.4 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2025
987
Volledig
ECLI:NL:RVS:2025:4040 text/xml public 2026-05-20T09:10:50 2025-08-22 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2025-08-22 202404701/1/V2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:10492, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:4040 text/html public 2025-08-22T09:12:08 2025-08-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2025:4040 Raad van State , 22-08-2025 / 202404701/1/V2 Bij besluit van 7 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag tot het wijzigen van de beperking van de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning afgewezen. 202404701/1/V2. Datum uitspraak: 22 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 juli 2024 in zaak nr. NL22.16110 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 7 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag tot het wijzigen van de beperking van de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning afgewezen. Bij besluit van 17 augustus 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 4.3 tot en met 4.4 van de uitspraak van de rechtbank over. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier. w.g. Van Breda voorzitter w.g. Huizer griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2025 987