Rechtspraak
Raad van State
2025-08-01
ECLI:NL:RVS:2025:3638
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
1,648 tokens
Inleiding
202503961/1/V2 en 202503961/2/V2.
Datum uitspraak: 1 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 juli 2025 in zaak nr. NL25.8508 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 3 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verbaas, advocaat in Alkmaar, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt in algemene zin dat de rechtbank het standpunt van de minister dat zijn problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn, op onjuiste wijze heeft getoetst. Dit betoog slaagt niet. Appellant heeft de in de overweging van de rechtbank vermelde redenen waarom die problemen ongeloofwaardig zijn, inhoudelijk namelijk in het geheel niet bestreden. Gelet daarop heeft hij onvoldoende concreet gemaakt waarom de rechtbank de geloofwaardigheidsbeoordeling in deze zaak verkeerd heeft getoetst.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Appellant heeft verzocht om prejudiciële vragen te stellen over de intensiteit van de bestuursrechtelijke toetsing van het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van een asielrelaas. Uit de overweging onder 1 volgt echter dat beantwoording van de door de appellant opgeworpen vraag niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2025
307-1127
Inleiding
202503961/1/V2 en 202503961/2/V2.
Datum uitspraak: 1 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 juli 2025 in zaak nr. NL25.8508 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 3 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verbaas, advocaat in Alkmaar, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt in algemene zin dat de rechtbank het standpunt van de minister dat zijn problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn, op onjuiste wijze heeft getoetst. Dit betoog slaagt niet. Appellant heeft de in de overweging van de rechtbank vermelde redenen waarom die problemen ongeloofwaardig zijn, inhoudelijk namelijk in het geheel niet bestreden. Gelet daarop heeft hij onvoldoende concreet gemaakt waarom de rechtbank de geloofwaardigheidsbeoordeling in deze zaak verkeerd heeft getoetst.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Appellant heeft verzocht om prejudiciële vragen te stellen over de intensiteit van de bestuursrechtelijke toetsing van het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van een asielrelaas. Uit de overweging onder 1 volgt echter dat beantwoording van de door de appellant opgeworpen vraag niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2025
307-1127