Rechtspraak
Raad van State
2025-07-11
ECLI:NL:RVS:2025:3163
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
805 tokens
Inleiding
202501657/1/V3.
Datum uitspraak: 11 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 maart 2025 in zaak nr. NL24.49397 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 4 december 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 14 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en betrokkene schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.M. Volwerk, advocaat in Leiden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister klaagt in haar enige grief dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden door de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen en schadevergoeding toe te kennen. De minister betoogt dat er ten tijde van de uitspraak van de rechtbank ook een hoger beroep aanhangig was over de vrijheidsontnemende maatregel, en dat de rechtbank dit met haar uitspraak heeft doorkruist. Daarnaast ontbreekt een geldige rechtsgrondslag op grond waarvan de rechtbank zich heeft kunnen uitlaten over de vrijheidsontnemende maatregel, aldus de minister.
1.1. De in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling in haar uitspraak van 14 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1646, onder 2.1, beantwoord. Hieruit volgt dat de grief slaagt. Het beroep van betrokkene was gericht tegen het besluit van 4 december 2024, over de afwijzing van haar asielaanvraag. Binnen die procedure bestaat geen ruimte voor toetsing van de rechtmatigheid van de grensdetentie. De rechtbank was daarom niet bevoegd om de opheffing van de grensdetentie te bevelen en met toepassing van artikel 106 van de Vw 2000 schadevergoeding toe te kennen.
1.2. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel heeft bevolen en schadevergoeding heeft toegekend. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 maart 2025 in zaak nr. NL24.49397, voor zover de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel heeft bevolen en schadevergoeding heeft toegekend.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2025
846