Rechtspraak
Raad van State
2025-07-16
ECLI:NL:RVS:2025:3155
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,256 tokens
Inleiding
BRS.25.000334
ECLI:NL:RVS:2025:3155
Datum uitspraak: 16 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 10 maart 2025 in zaak nr. NL24.34421 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 9 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat in Uden, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In de eerste grief klaagt appellant dat de rechtbank bij het geven van toepassing aan artikel 6:22 van de Awb de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door hem gemaakte proceskosten.
1.1. De rechtbank heeft overwogen dat een bevoegdheidsgebrek kleeft aan het besluit, voor zover het besluit door de staatssecretaris is genomen in plaats van de minister. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, maar heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling, omdat slechts sprake is van een administratieve omissie. De rechtbank heeft hierbij ten onrechte verwezen naar een uitspraak van de Afdeling over de beoordeling van de ernst van een gebrek in het kader van de belangenafweging en de mogelijke gevolgen van een gebrek voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring. Dat is hier niet aan de orde. Gelet op het geconstateerde gebrek, had zij de minister moeten veroordelen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De grief slaagt.
2. De zesde grief heeft geen zelfstandige betekenis. Omdat de eerste grief slaagt, slaagt deze grief ook.
3. Wat appellant in de overige grieven aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij heeft nagelaten om de minister te veroordelen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 10 maart 2025 in zaak nr. NL24.34421, voor zover zij heeft nagelaten om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III. bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 476,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2025
574-1046
Volledig
ECLI:NL:RVS:2025:3155 text/xml public 2026-02-05T16:33:39 2025-07-10 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2025-07-16 BRS.25.000334 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:14489, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:3155 text/html public 2025-07-10T12:26:58 2025-07-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2025:3155 Raad van State , 16-07-2025 / BRS.25.000334 Bij besluit van 14 december 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. BRS.25.000334 ECLI:NL:RVS:2025:3155 Datum uitspraak: 16 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 10 maart 2025 in zaak nr. NL24.34421 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 14 december 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 9 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat in Uden, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. In de eerste grief klaagt appellant dat de rechtbank bij het geven van toepassing aan artikel 6:22 van de Awb de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door hem gemaakte proceskosten. 1.1. De rechtbank heeft overwogen dat een bevoegdheidsgebrek kleeft aan het besluit, voor zover het besluit door de staatssecretaris is genomen in plaats van de minister. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, maar heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling, omdat slechts sprake is van een administratieve omissie. De rechtbank heeft hierbij ten onrechte verwezen naar een uitspraak van de Afdeling over de beoordeling van de ernst van een gebrek in het kader van de belangenafweging en de mogelijke gevolgen van een gebrek voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring. Dat is hier niet aan de orde. Gelet op het geconstateerde gebrek, had zij de minister moeten veroordelen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De grief slaagt. 2. De zesde grief heeft geen zelfstandige betekenis. Omdat de eerste grief slaagt, slaagt deze grief ook. 3. Wat appellant in de overige grieven aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij heeft nagelaten om de minister te veroordelen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 10 maart 2025 in zaak nr. NL24.34421, voor zover zij heeft nagelaten om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten; III. bevestigt de uitspraak voor het overige; IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 476,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Verbeek griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2025 574-1046