Rechtspraak
Raad van State
2025-07-02
ECLI:NL:RVS:2025:2943
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,006 tokens
Inleiding
202206078/1/R4.
Datum uitspraak: 2 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], wonend en gevestigd in Wieringerwerf, gemeente Hollands Kroon (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),
2. [appellant sub 2], wonend in Wieringerwerf, gemeente Hollands Kroon,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Hollands Kroon,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2016 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend om bebouwing op het perceel [locatie] in Wieringerwerf, gemeente Hollands Kroon (hierna: het perceel), permanent te gebruiken voor de tijdelijke huisvesting van maximaal 40 arbeidsmigranten.
Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beslist, dat bezwaar ongegrond verklaard en [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend om bebouwing op het perceel voor een periode van maximaal 20 jaar te gebruiken voor de tijdelijke huisvesting van maximaal 30 arbeidsmigranten (hierna: het bestreden besluit of de omgevingsvergunning).
[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben daartegen beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 mei 2025, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. E. Erkamp, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.P. Kamp, advocaat in Amsterdam, zijn verschenen. Verder is op de zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. P.W.M. Huisman, rechtsbijstandverlener in Bussum, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 januari 2016. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [vergunninghoudster] is eigenaar van het perceel. Het perceel ligt op een bedrijventerrein. Op het perceel staat bebouwing die [vergunninghoudster] wil gebruiken als logiesverblijf voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten. Dat gebruik is niet toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan "Wieringerwerf". De bedrijfspercelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] liggen op hetzelfde bedrijventerrein in de directe omgeving van het perceel. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o van de Wabo.
3. Bij besluit van 11 april 2017 heeft het college het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 25 september 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 mei 2018 heeft de rechtbank Noord-Holland de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253, heeft de Afdeling de daartegen door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ingestelde hoger beroepen gegrond verklaard, de aangevallen rechtbankuitspraak vernietigd, de beroepen in eerste aanleg gegrond verklaard, het besluit van het college van 11 april 2017 vernietigd en bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar alleen beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling.
4. Bij besluit van 25 maart 2020 heeft het college het bezwaar van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gegrond verklaard, het besluit van 25 september 2016 herroepen en de door [vergunninghoudster] gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Bij uitspraak van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2001, heeft de Afdeling het door [vergunninghoudster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van het college van 25 maart 2020 vernietigd, het college opgedragen om opnieuw te beslissen op de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gemaakte bezwaren en bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling.
5. Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ongegrond verklaard en aan [vergunninghoudster] de omgevingsvergunning verleend. Het college heeft de omgevingsvergunning in de plaats gesteld van de bij het besluit van 25 september 2016 verleende omgevingsvergunning. [vergunninghoudster] heeft net als [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, maar zij heeft haar beroep op de zitting ingetrokken.
De beroepen
6. Naar aanleiding van wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren en gelet op de omstandigheden van het geval, hebben het college en [vergunninghoudster] op de zitting aangegeven het met [appellant sub 1] en [appellant sub 2] (hierna samen: de partijen) eens te zijn dat het bestreden besluit gebrekkig is gelet op de aan de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. Het college heeft twaalf voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden, genummerd van 1 tot en met 12. Volgens de partijen zijn de voorschriften 5 en 10 onjuist of onvolledig en zijn twee voorschriften ten onrechte niet aan de omgevingsvergunning verbonden, zo hebben zij allen op de zitting bevestigd.
7. Voorschrift 5 van de omgevingsvergunning luidt: "Er dienen 11 parkeerplekken op eigen terrein op het perceel [locatie] te worden gerealiseerd en in stand te worden gehouden."
Voorschrift 10 luidt: "De initiatiefnemer stelt een door de gemeente goed te keuren beheerplan op welke uiterlijk drie weken voor ingebruikname van het gebouw wordt aangeleverd en voor aanvang van ingebruikname door de gemeente moet zijn goedgekeurd."
8. De partijen zijn het erover eens dat voorschrift 5 als volgt moet luiden: "Er dienen 12 parkeerplekken op eigen terrein op het perceel [locatie] te worden gerealiseerd en in stand te worden gehouden."
Verder zijn de partijen zijn het erover eens dat voorschrift 10 als volgt moet luiden: "De initiatiefnemer stelt een door de gemeente goed te keuren beheerplan met huisregels op dat uiterlijk drie weken voor ingebruikname van het gebouw wordt aangeleverd en voor aanvang van ingebruikname door de gemeente moet zijn goedgekeurd."
9. De partijen zijn het er ook over eens dat aan de omgevingsvergunning een voorschrift 13 moet worden verbonden dat als volgt luidt: "Het gebruik van het perceel [locatie] dient te geschieden conform het beheerplan."
Verder zijn de partijen zijn het erover eens dat aan de omgevingsvergunning een voorschrift 14 moet worden verbonden dat als volgt luidt: "Aan de achterzijde (westzijde) van het perceel [locatie] (kadastraal perceel 969) dient op de gehele erfgrens een erfafscheiding aanwezig te zijn in de vorm van een afrastering van 1,8 m hoog."
10. De partijen hebben de Afdeling op de zitting verzocht om zelf in de zaak te voorzien. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding om als volgt op de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] te beslissen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat er geen andere belanghebbenden zijn die kunnen worden benadeeld door zelf in de zaak te voorzien.
11. De beroepen zijn gegrond. De Afdeling zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover het de voorschriften 5 en 10 betreft en voor zover daarin de voorschriften 13 en 14, hiervoor onder 9 weergegeven, ontbreken. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door de na te melden wijze het bestreden besluit op te vernietigen en de hiervoor onder 8 en 9 weergegeven voorschriften 5, 10, 13 en 14 aan de omgevingsvergunning te verbinden.
12. Het college moet de proceskosten vergoeden.
12.1. Voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding van de proceskosten worden de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), omdat hun beroepen zijn gericht tegen hetzelfde besluit, hun beroepschriften inhoudelijk gelijkluidend zijn, de beroepen gelijktijdig op de zitting zijn behandeld en rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon. Gelet daarop worden de zaken van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb beschouwd als één zaak.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hollands Kroon van 6 oktober 2022, kenmerk Z-116754, voor zover het de voorschriften 5 en 10 betreft en voor zover daarin de voorschriften 13 en 14, als omschreven in het hierna vermelde dictumonderdeel III, ontbreken;
III. bepaalt dat aan de bij het besluit van 6 oktober 2022, kenmerk Z-116754, verleende omgevingsvergunning wordt verbonden:
- voorschrift 5 dat luidt: "Er dienen 12 parkeerplekken op eigen terrein op het perceel [locatie] te worden gerealiseerd en in stand te worden gehouden.";
- voorschrift 10 dat luidt: "De initiatiefnemer stelt een door de gemeente goed te keuren beheerplan met huisregels op dat uiterlijk drie weken voor ingebruikname van het gebouw wordt aangeleverd en voor aanvang van ingebruikname door de gemeente moet zijn goedgekeurd.";
- voorschrift 13 dat luidt: "Het gebruik van het perceel [locatie] dient te geschieden conform het beheerplan.";
- voorschrift 14 dat luidt: "Aan de achterzijde (westzijde) van het perceel [locatie] (kadastraal perceel 969) dient op de gehele erfgrens een erfafscheiding aanwezig te zijn in de vorm van een afrastering van 1,8 m hoog.";
IV. bepaalt dat deze uitspraak, wat dictumonderdeel III betreft, in de plaats treedt van het besluit van 6 oktober 2022, voor zover dat is vernietigd;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hollands Kroon tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:
- [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- [appellant sub 2] tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hollands Kroon de voor de behandeling van het beroepen betaalde griffierecht vergoedt aan:
- [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], ten bedrage van € 365,00, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- [appellant sub 2], ten bedrage van € 194,00.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Robben
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2025
610-1152